--- eng-nld.txt	2007-12-11 01:05:58.000000000 +0200
+++ eng-nld.new	2007-12-11 01:05:11.000000000 +0200
@@ -27,7 +27,7 @@
 
 00databaseshort
 00-database-short
-   English-Netherlands Freedict dictionary
+   English-Dutch Freedict dictionary
 
 _____
 
@@ -39,36 +39,43 @@
 
 american
 American [əmerikən]
+   Amerikaans
 
 _____
 
 british
 British [britiʃ]
+   Brits
 
 _____
 
 mr
 Mr. [mr]
+   meneer
 
 _____
 
 mrs
 Mrs. [mz]
+   mevrouw
 
 _____
 
 a
 a [ə]
+   een
 
 _____
 
 able
 able [eibl]
+   in staat om, bereid
 
 _____
 
 about
 about [əbaut]
+   over, aangaande
 
 _____
 
@@ -79,6 +86,7 @@
 
 across
 across [əkrɔs]
+   over
 
 _____
 
@@ -144,7 +152,7 @@
 
 always
 always [ɔːlweiz]
-   altĳd; immer; steeds
+   altijd; immer; steeds
 
 _____
 
@@ -582,9 +590,9 @@
 grow [grou]
    gebeuren; toegaan; voortgang hebben; worden
    raken; worden
-   gedĳen; groeien; toenemen; wassen; aanwassen
+   gedijen; groeien; toenemen; wassen; aanwassen
    bebouwen; beschaven; kweken; aankweken; telen; verbouwen
-   groeien; aangroeien; stĳgen; toenemen
+   groeien; aangroeien; stijgen; toenemen
 
 _____
 
@@ -652,23 +660,23 @@
 
 gruel
 gruel [gruːəl]
-   brĳ; moes; pap
+   brij; moes; pap
 
 _____
 
 gruesome
 gruesome [gruːsəm]
-   afschuwelĳk; ĳselĳk; afgrĳselĳk; verfoeilĳk
+   afschuwelijk; ijselijk; afgrijselijk; verfoeilijk
    eng; griezelig
-   ĳselĳk; schrikaanjagend; verschrikkelĳk; vervaarlĳk; vreselĳk
+   ijselijk; schrikaanjagend; verschrikkelijk; vervaarlijk; vreselijk
    huiveringwekkend; luguber
-   griezelig; ĳzingwekkend
+   griezelig; ijzingwekkend
 
 _____
 
 gruff
 gruff [grʌf]
-   bars; honds; nors; nurks; onaardig; onvriendelĳk; stuurs; zuur
+   bars; honds; nors; nurks; onaardig; onvriendelijk; stuurs; zuur
 
 _____
 
@@ -704,7 +712,7 @@
    bewaken; bewaren; de wacht hebben; hoeden; waken over
    bewaarder; bewaker; hoeder; wacht; wachter
    bewaking; hoede
-   garde; wacht; lĳfwacht
+   garde; wacht; lijfwacht
    conducteur; conductor
 
 _____
@@ -745,7 +753,7 @@
 guide
 guide [gaid]
    besturen; dirigeren; mennen; richten
-   de weg wĳzen; leiden; geleiden; rondleiden
+   de weg wijzen; leiden; geleiden; rondleiden
    gids
    gids; gidsboek; reisgids; vademecum
    leiding
@@ -887,7 +895,7 @@
 
 gusto
 gusto [gʌstou]
-   animo; bedrĳvigheid; drukte; opgewektheid; tierigheid; vertier
+   animo; bedrijvigheid; drukte; opgewektheid; tierigheid; vertier
 
 _____
 
@@ -917,7 +925,7 @@
 
 habit
 habit [hæbit]
-   aanwensel; hebbelĳkheid
+   aanwensel; hebbelijkheid
    gebruik; gewoonte; usance
 
 _____
@@ -990,7 +998,7 @@
 
 hail from
 hail from [heilfrɔm]
-   afkomstig zĳn van; stammen uit; stammen van
+   afkomstig zijn van; stammen uit; stammen van
 
 _____
 
@@ -1009,8 +1017,8 @@
 
 hairsplitting
 hair‐splitting
-   haarkloverĳ; muggezifterĳ
-   gevit; haarkloverĳ; muggezifterĳ; vitterĳ
+   haarkloverij; muggezifterij
+   gevit; haarkloverij; muggezifterij; vitterij
 
 _____
 
@@ -1067,7 +1075,7 @@
 
 halcyon
 halcyon [hælsiən]
-   ĳsvogel
+   ijsvogel
 
 _____
 
@@ -1130,14 +1138,14 @@
 
 halt
 halt [hɔːlt]
-   afslaan; blĳven staan; halthouden; stilhouden; stilstaan; stoppen
+   afslaan; blijven staan; halthouden; stilhouden; stilstaan; stoppen
    aanhouden; keren; stilleggen; stilzetten; stoppen; stuiten
 
 _____
 
 halyard
 halyard [hæljəd]
-   hĳskraan
+   hijskraan
 
 _____
 
@@ -1192,7 +1200,7 @@
 
 hamper
 hamper [hæmpər]
-   bemoeilĳken
+   bemoeilijken
    belemmeren; obstructie voeren; opstoppen; verstoppen
 
 _____
@@ -1274,13 +1282,13 @@
 
 handsome
 handsome [hænsəm]
-   fĳn; fraai; mooi; knap; net; schoon
+   fijn; fraai; mooi; knap; net; schoon
 
 _____
 
 handy
 handy [hændiː]
-   doelmatig; gemakkelĳk; geschikt; gepast; passend
+   doelmatig; gemakkelijk; geschikt; gepast; passend
 
 _____
 
@@ -1325,14 +1333,14 @@
 
 hang onto
 hang onto [hæŋɔntə]
-   houden; bĳhouden; vasthouden
+   houden; bijhouden; vasthouden
 
 _____
 
 happen
 happen [hæpən]
    gebeuren; toegaan; voortgang hebben; worden
-   aan de hand zĳn; gebeuren; geschieden; voorkomen; voorvallen
+   aan de hand zijn; gebeuren; geschieden; voorkomen; voorvallen
 
 _____
 
@@ -1344,8 +1352,8 @@
 
 happy
 happy [hæpiː]
-   gelukkig; zegenrĳk
-   blĳ; verblĳd; verheugd
+   gelukkig; zegenrijk
+   blij; verblijd; verheugd
 
 _____
 
@@ -1376,7 +1384,7 @@
 hard
 hard [hɑːd]
    hard
-   moeilĳk; lastig; slim; zwaar
+   moeilijk; lastig; slim; zwaar
    hard; onzacht; stug
    inspannend; zwaar
 
@@ -1390,8 +1398,8 @@
 
 hardly
 hardly [hɑːdliː]
-   amper; kwalĳk; nauwelĳks; ternauwernood
-   lastig; moeilĳk; zwaar
+   amper; kwalijk; nauwelijks; ternauwernood
+   lastig; moeilijk; zwaar
 
 _____
 
@@ -1403,8 +1411,8 @@
 
 hardworking
 hardworking [hɑːdwəːkiŋ]
-   ĳverig; naarstig; nĳver; vlĳtig
-   arbeidzaam; ĳverig; nĳver; vlĳtig; werkzaam
+   ijverig; naarstig; nijver; vlijtig
+   arbeidzaam; ijverig; nijver; vlijtig; werkzaam
 
 _____
 
@@ -1428,7 +1436,7 @@
 
 haricot
 haricot [hærikɔt]
-   boon; prinsesseboon; snĳboon; sperzieboon
+   boon; prinsesseboon; snijboon; sperzieboon
 
 _____
 
@@ -1445,8 +1453,8 @@
 
 harmful
 harmful [hɑːmful]
-   nadelig; schadelĳk
-   schadelĳk
+   nadelig; schadelijk
+   schadelijk
 
 _____
 
@@ -1464,7 +1472,7 @@
 
 harmonize
 harmonize [hɑːmənaiz]
-   bĳeenpassen; harmoniëren; samenklinken
+   bijeenpassen; harmoniëren; samenklinken
 
 _____
 
@@ -1490,7 +1498,7 @@
 
 harpy
 harpy [hɑːpiː]
-   harpĳ; Zuidamerikaanse arend
+   harpij; Zuidamerikaanse arend
 
 _____
 
@@ -1516,8 +1524,8 @@
 harsh [hɑːʃ]
    doordringend; schel; scherp
    wrang
-   beestachtig; bruut; dierlĳk; ruw
-   bars; honds; nors; nurks; onaardig; onvriendelĳk; stuurs; zuur
+   beestachtig; bruut; dierlijk; ruw
+   bars; honds; nors; nurks; onaardig; onvriendelijk; stuurs; zuur
    grof; hardhandig; lomp; onkies; ruw
 
 _____
@@ -1550,7 +1558,7 @@
 
 haste
 haste [heist]
-   haast; haastigheid; ĳl
+   haast; haastigheid; ijl
 
 _____
 
@@ -1607,13 +1615,13 @@
 have
 have [hæv]
    hebben; erop nahouden
-   genieten; krĳgen; ontvangen; toucheren
+   genieten; krijgen; ontvangen; toucheren
 
 _____
 
 have an accident
 have an accident [hævænæksidənt]
-   een ongeluk krĳgen
+   een ongeluk krijgen
 
 _____
 
@@ -1625,7 +1633,7 @@
 
 have an interest in
 have an interest in [hævænintrəstin]
-   belang hebben bĳ
+   belang hebben bij
 
 _____
 
@@ -1668,7 +1676,7 @@
 
 have compassion on
 have compassion on [hævkəmpæʃənwʌn]
-   beklagen; medelĳden hebben; medelĳden hebben met
+   beklagen; medelijden hebben; medelijden hebben met
 
 _____
 
@@ -1711,7 +1719,7 @@
 
 have good luck
 have good luck [hævgudlʌk]
-   boffen; geluk hebben; het treffen; zwĳnen
+   boffen; geluk hebben; het treffen; zwijnen
 
 _____
 
@@ -1777,7 +1785,7 @@
 
 haystack
 haystack [heistæk]
-   hooiberg; hooimĳt; opper
+   hooiberg; hooimijt; opper
 
 _____
 
@@ -1791,7 +1799,7 @@
 
 hazardous
 hazardous [hæzədaus]
-   bedenkelĳk; gewaagd; riskant; waaghalzerig
+   bedenkelijk; gewaagd; riskant; waaghalzerig
 
 _____
 
@@ -1827,13 +1835,13 @@
 
 he
 he [h]
-   'ie; 'm; hem; hĳ
+   'ie; 'm; hem; hij
 
 _____
 
 head
 head [hed]
-   de weg wĳzen; leiden; geleiden; rondleiden
+   de weg wijzen; leiden; geleiden; rondleiden
    hoofd
    kop
    krop
@@ -1844,7 +1852,7 @@
 
 headache
 headache [hedeik]
-   hoofdpĳn
+   hoofdpijn
 
 _____
 
@@ -1874,7 +1882,7 @@
 
 headmaster
 headmaster [hedmɑːstər]
-   hoofd der school; hoofdonderwĳzer; schoolhoofd
+   hoofd der school; hoofdonderwijzer; schoolhoofd
 
 _____
 
@@ -1898,7 +1906,7 @@
 
 head of a school
 head of a school [hedɔfəsʃuːl]
-   hoofd der school; hoofdonderwĳzer; schoolhoofd
+   hoofd der school; hoofdonderwijzer; schoolhoofd
 
 _____
 
@@ -2013,9 +2021,9 @@
 
 hearty
 hearty [hɑːtiː]
-   hartelĳk
-   hartelĳk; innig
-   hartelĳk
+   hartelijk
+   hartelijk; innig
+   hartelijk
 
 _____
 
@@ -2205,10 +2213,10 @@
 help
 help [help]
    assistentie; hulpbetoon
-   assisteren; bĳstaan; helpen; ter zĳde staan
-   assistentie; bĳstand; hulp
-   baten; bĳstaan; helpen; ter zĳde staan
-   assistentie; bĳstand; heul; hulp; toedoen; toeverlaat
+   assisteren; bijstaan; helpen; ter zijde staan
+   assistentie; bijstand; hulp
+   baten; bijstaan; helpen; ter zijde staan
+   assistentie; bijstand; heul; hulp; toedoen; toeverlaat
 
 _____
 
@@ -2318,8 +2326,8 @@
 her
 her [hər]
    aan haar; aan 'r; aan d'r; haar; 'r; d'r; naar haar; naar d'r
-   haar; hun; zĳn
-   'r; d'r; haar; ze; zĳ
+   haar; hun; zijn
+   'r; d'r; haar; ze; zij
    haar
    'r; d'r; haar
 
@@ -2365,19 +2373,19 @@
 
 hereditary
 hereditary [hireditriː]
-   erfelĳk; overerfelĳk
+   erfelijk; overerfelijk
 
 _____
 
 heredity
 heredity [hireditiː]
-   erfelĳkheid; overerfelĳkheid
+   erfelijkheid; overerfelijkheid
 
 _____
 
 heresy
 heresy [herəsiː]
-   ketterĳ
+   ketterij
 
 _____
 
@@ -2395,7 +2403,7 @@
 
 herewith
 herewith [hewiθ]
-   hierbĳ
+   hierbij
 
 _____
 
@@ -2407,13 +2415,13 @@
 
 here are
 here are [herɛər]
-   hier; hierzo; kĳk; ziedaar; ziehier; ziezo
+   hier; hierzo; kijk; ziedaar; ziehier; ziezo
 
 _____
 
 here is
 here is [heriz]
-   hier; hierzo; kĳk; ziedaar; ziehier; ziezo
+   hier; hierzo; kijk; ziedaar; ziehier; ziezo
 
 _____
 
@@ -2563,8 +2571,8 @@
 
 hideous
 hideous [hidiəs]
-   afschuwelĳk; ĳselĳk; afgrĳselĳk; verfoeilĳk
-   afgrĳselĳk; afschuwelĳk
+   afschuwelijk; ijselijk; afgrijselijk; verfoeilijk
+   afgrijselijk; afschuwelijk
 
 _____
 
@@ -2596,7 +2604,7 @@
 highway
 highway [haiwei]
    grote weg; verkeersweg
-   eenbaansweg; heerbaan; rĳweg; straatweg
+   eenbaansweg; heerbaan; rijweg; straatweg
 
 _____
 
@@ -2643,7 +2651,7 @@
 him
 him [him]
    aan 'm; aan hem; 'm; hem; naar 'm; naar hem
-   'ie; 'm; hem; hĳ
+   'ie; 'm; hem; hij
    'm; hem
 
 _____
@@ -2664,7 +2672,7 @@
 
 hinder
 hinder [hindər]
-   bemoeilĳken
+   bemoeilijken
    belemmeren; beletten; doorkruisen; storen; stremmen; verhinderen
    belemmeren; obstructie voeren; opstoppen; verstoppen
    belemmeren; hinderen; storen; verstoren
@@ -2735,13 +2743,13 @@
 
 hippo
 hippo [hipou]
-   nĳlpaard
+   nijlpaard
 
 _____
 
 hippopotamus
 hippopotamus [hipəpɔtəməs]
-   nĳlpaard
+   nijlpaard
 
 _____
 
@@ -2773,9 +2781,9 @@
 
 his
 his [haiz]
-   de zĳne; het zĳne
-   zĳn
-   haar; hun; zĳn
+   de zijne; het zijne
+   zijn
+   haar; hun; zijn
 
 _____
 
@@ -2787,7 +2795,7 @@
 
 historian
 historian [histɔːriən]
-   chroniqueur; kroniekschrĳver
+   chroniqueur; kroniekschrijver
 
 _____
 
@@ -2820,7 +2828,7 @@
 
 hoar
 hoar [hɔːr]
-   berĳpt; met rĳp bedekt
+   berijpt; met rijp bedekt
 
 _____
 
@@ -2839,13 +2847,13 @@
 hobby
 hobby [hɔbiː]
    hobby
-   hobby; liefhebberĳ
+   hobby; liefhebberij
 
 _____
 
 hock
 hock [hɔk]
-   Rĳnwĳn
+   Rijnwijn
 
 _____
 
@@ -2869,7 +2877,7 @@
 
 hog
 hog [hɔg]
-   varken; zwĳn
+   varken; zwijn
 
 _____
 
@@ -2881,15 +2889,15 @@
 
 hoist
 hoist [hɔist]
-   hĳsen; ophĳsen
-   ophĳsen
+   hijsen; ophijsen
+   ophijsen
 
 _____
 
 hoist up
 hoist up [hɔistʌp]
-   hĳsen; ophĳsen
-   ophĳsen
+   hijsen; ophijsen
+   ophijsen
 
 _____
 
@@ -2897,7 +2905,7 @@
 hold [hould]
    aanhouden
    ruim; scheepsruim
-   houden; bĳhouden; vasthouden
+   houden; bijhouden; vasthouden
 
 _____
 
@@ -2909,7 +2917,7 @@
 
 hold against
 hold against [houldəgenst]
-   aanrekenen; toedichten; toeschrĳven; toerekenen; wĳten
+   aanrekenen; toedichten; toeschrijven; toerekenen; wijten
 
 _____
 
@@ -2928,7 +2936,7 @@
 
 hold responsible
 hold responsible [houldrispɔnsəbl]
-   aansprakelĳk stellen; verantwoordelĳk stellen
+   aansprakelijk stellen; verantwoordelijk stellen
 
 _____
 
@@ -2941,7 +2949,7 @@
 
 holiday
 holiday [hɔlədiː]
-   rustdag; snipperdag; vakantiedag; vrĳe dag
+   rustdag; snipperdag; vakantiedag; vrije dag
 
 _____
 
@@ -2979,7 +2987,7 @@
 
 holy
 holy [houliː]
-   gewĳd; heilig; geheiligd; sacraal
+   gewijd; heilig; geheiligd; sacraal
 
 _____
 
@@ -2991,7 +2999,7 @@
 
 homage
 homage [hɔmidʒ]
-   eed van trouw; eerbetoon; hulde; huldebetoon; huldeblĳk
+   eed van trouw; eerbetoon; hulde; huldebetoon; huldeblijk
 
 _____
 
@@ -3017,13 +3025,13 @@
 
 homy
 homy [houmiː]
-   gezellig; huiselĳk
+   gezellig; huiselijk
 
 _____
 
 honest
 honest [ɔnist]
-   degelĳk; eerlĳk; eerzaam; fatsoenlĳk; net
+   degelijk; eerlijk; eerzaam; fatsoenlijk; net
 
 _____
 
@@ -3041,7 +3049,7 @@
 
 honeymoon
 honeymoon [hʌnimuːn]
-   huwelĳksweken
+   huwelijksweken
 
 _____
 
@@ -3054,7 +3062,7 @@
 honor
 honor [ɔnər]
    eren; huldigen; vereren
-   eer; eerbewĳs; hulde
+   eer; eerbewijs; hulde
 
 _____
 
@@ -3068,7 +3076,7 @@
 honour
 honour [ɔnər]
    eren; huldigen; vereren
-   eer; eerbewĳs; hulde
+   eer; eerbewijs; hulde
 
 _____
 
@@ -3166,7 +3174,7 @@
 
 hopefully
 hopefully [houpfuliː]
-   hopelĳk
+   hopelijk
 
 _____
 
@@ -3233,13 +3241,13 @@
 
 horrible
 horrible [hɔrəbl]
-   afschuwelĳk; ĳselĳk; afgrĳselĳk; verfoeilĳk
-   gruwelĳk
-   akelig; naar; onaangenaam; verdrietelĳk; vervelend
-   afzichtelĳk; foeilelĳk
-   ĳselĳk; schrikaanjagend; verschrikkelĳk; vervaarlĳk; vreselĳk
-   afgrĳselĳk; afschuwelĳk
-   angstaanjagend; angstwekkend; beangstigend; vervaarlĳk
+   afschuwelijk; ijselijk; afgrijselijk; verfoeilijk
+   gruwelijk
+   akelig; naar; onaangenaam; verdrietelijk; vervelend
+   afzichtelijk; foeilelijk
+   ijselijk; schrikaanjagend; verschrikkelijk; vervaarlijk; vreselijk
+   afgrijselijk; afschuwelijk
+   angstaanjagend; angstwekkend; beangstigend; vervaarlijk
    huiveringwekkend; luguber
 
 _____
@@ -3247,9 +3255,9 @@
 horror
 horror [hɔrər]
    gruwel; gruweldaad; verschrikking
-   afgrĳzen; afschrik; afschuw; walging; weerzin
+   afgrijzen; afschrik; afschuw; walging; weerzin
    verschrikking
-   afgrĳzen; afschuw; zielsangst
+   afgrijzen; afschuw; zielsangst
 
 _____
 
@@ -3298,7 +3306,7 @@
 
 horseshoe
 horseshoe [hɔːsiʃou]
-   hoefĳzer
+   hoefijzer
 
 _____
 
@@ -3310,7 +3318,7 @@
 
 hospitable
 hospitable [hɔspitəbl]
-   gastvrĳ; herbergzaam
+   gastvrij; herbergzaam
 
 _____
 
@@ -3322,7 +3330,7 @@
 
 hospitality
 hospitality [hɔspitælitiː]
-   gastvrĳheid
+   gastvrijheid
 
 _____
 
@@ -3335,8 +3343,8 @@
 
 hostage
 hostage [hɔstidʒ]
-   garant; gĳzelaar
-   gĳzelaar
+   garant; gijzelaar
+   gijzelaar
 
 _____
 
@@ -3355,7 +3363,7 @@
 
 hostile
 hostile [hɔstail]
-   vĳandelĳk; vĳandig
+   vijandelijk; vijandig
 
 _____
 
@@ -3499,7 +3507,7 @@
 
 how
 how [hau]
-   hoe; op welke manier; op welke wĳze
+   hoe; op welke manier; op welke wijze
    wat
 
 _____
@@ -3600,7 +3608,7 @@
 huge [hjuːdʒ]
    gigantisch; reusachtig
    enorm; geweldig; gigantisch
-   geweldig; kolossaal; ontzaglĳk; reusachtig
+   geweldig; kolossaal; ontzaglijk; reusachtig
 
 _____
 
@@ -3618,13 +3626,13 @@
 
 human
 human [hjuːmən]
-   menselĳk
+   menselijk
 
 _____
 
 humane
 humane [hjuːmein]
-   humaan; menselĳk
+   humaan; menselijk
 
 _____
 
@@ -3808,15 +3816,15 @@
 hurry
 hurry [hʌriː]
    haast maken; spoed maken; voortmaken; zich haasten; zich spoeden
-   dringen; haasten; jachten; tot haast aanzetten; urgent zĳn
+   dringen; haasten; jachten; tot haast aanzetten; urgent zijn
    haast maken; zich haasten
 
 _____
 
 hurt
 hurt [həːt]
-   pĳn doen; zeer doen
-   bezeren; pĳn doen; pĳn veroorzaken
+   pijn doen; zeer doen
+   bezeren; pijn doen; pijn veroorzaken
    benadelen
    benadelen; duperen
    kwetsen; wonden; verwonden
@@ -3837,7 +3845,7 @@
 
 husked rice
 husked rice [hʌsktrais]
-   gepelde rĳst
+   gepelde rijst
 
 _____
 
@@ -3969,20 +3977,20 @@
 
 ice
 ice [ais]
-   ĳs; consumptie‐ĳs; ĳsje; ĳsco
-   ĳs
+   ijs; consumptie‐ijs; ijsje; ijsco
+   ijs
 
 _____
 
 iceberg
 iceberg [aisbəːg]
-   ĳsberg
+   ijsberg
 
 _____
 
 icecream
 icecream [aisiːkriːm]
-   ĳs; consumptie‐ĳs; ĳsje; ĳsco
+   ijs; consumptie‐ijs; ijsje; ijsco
 
 _____
 
@@ -4012,7 +4020,7 @@
 
 icy
 icy [aisiː]
-   ĳs‐; ĳskoud; ĳzig
+   ijs‐; ijskoud; ijzig
 
 _____
 
@@ -4100,13 +4108,13 @@
 
 idolatry
 idolatry [aidɔlətriː]
-   afgodendienst; afgoderĳ
+   afgodendienst; afgoderij
 
 _____
 
 idol worship
 idol worship [aidlwəːʃip]
-   afgodendienst; afgoderĳ
+   afgodendienst; afgoderij
 
 _____
 
@@ -4124,7 +4132,7 @@
 
 if the occasion arises
 if the occasion arises [aifðəkeiʒnæraiziz]
-   bĳ voorkomende gelegenheden; eventueel; mogelĳkerwĳs
+   bij voorkomende gelegenheden; eventueel; mogelijkerwijs
 
 _____
 
@@ -4136,7 +4144,7 @@
 
 ignore
 ignore [ignɔːr]
-   negeren; onder tafel schuiven; passeren; wegcĳferen
+   negeren; onder tafel schuiven; passeren; wegcijferen
 
 _____
 
@@ -4192,7 +4200,7 @@
 
 illustrate
 illustrate [iləstreit]
-   illustreren; veraanschouwelĳken; verluchten
+   illustreren; veraanschouwelijken; verluchten
 
 _____
 
@@ -4230,7 +4238,7 @@
 image [imidʒ]
    beeld; afbeelding; plaat; prent; voorstelling
    beeld; afbeelding; figuur
-   beeld; gelĳkenis
+   beeld; gelijkenis
 
 _____
 
@@ -4268,27 +4276,27 @@
 
 immediate
 immediate [imiːdieit]
-   ogenblikkelĳk; prompt
+   ogenblikkelijk; prompt
 
 _____
 
 immediately
 immediately [imiːdaiætiːliː]
-   dadelĳk; onmiddellĳk; op stel en sprong; terstond; zonder verwĳl
-   aanstonds; dadelĳk; meteen; op staande voet; schielĳk; subiet; zo
+   dadelijk; onmiddellijk; op stel en sprong; terstond; zonder verwijl
+   aanstonds; dadelijk; meteen; op staande voet; schielijk; subiet; zo
 
 _____
 
 immense
 immense [imens]
    enorm; geweldig; gigantisch
-   immens; onmetelĳk
+   immens; onmetelijk
 
 _____
 
 immensely rich
 immensely rich [imensəliːritʃ]
-   schatrĳk
+   schatrijk
 
 _____
 
@@ -4325,8 +4333,8 @@
 
 impartial
 impartial [impɑːʃl]
-   afzĳdig; neutraal; onpartĳdig
-   onpartĳdig; partĳloos
+   afzijdig; neutraal; onpartijdig
+   onpartijdig; partijloos
 
 _____
 
@@ -4360,7 +4368,7 @@
 impel [impel]
    stuwen
    aansporen; aanvuren; aanwakkeren; opwekken; zwepen
-   drĳven; aandrĳven; opjagen; voortdrĳven
+   drijven; aandrijven; opjagen; voortdrijven
 
 _____
 
@@ -4384,13 +4392,13 @@
 
 impertinence
 impertinence [impəːtinəns]
-   brutaliteit; hondsheid; vrĳpostigheid
+   brutaliteit; hondsheid; vrijpostigheid
 
 _____
 
 impertinent
 impertinent [impəːtinənt]
-   brutaal; onbeschaamd; vrĳpostig
+   brutaal; onbeschaamd; vrijpostig
 
 _____
 
@@ -4430,7 +4438,7 @@
 
 important
 important [impɔːtnt]
-   belangrĳk; erg; ernstig; voornaam; zwaar; zwaarwichtig
+   belangrijk; erg; ernstig; voornaam; zwaar; zwaarwichtig
 
 _____
 
@@ -4454,13 +4462,13 @@
 
 impossible
 impossible [impɔsəbl]
-   onbestaanbaar; onmogelĳk; uitgesloten
+   onbestaanbaar; onmogelijk; uitgesloten
 
 _____
 
 impossibly
 impossibly [impɔsəbliː]
-   met geen mogelĳkheid; onmogelĳk
+   met geen mogelijkheid; onmogelijk
 
 _____
 
@@ -4486,8 +4494,8 @@
 
 impressible
 impressible [impresəbl]
-   gevoelig; ontvankelĳk; receptief
-   gevoelig; ontvankelĳk; receptief; vatbaar
+   gevoelig; ontvankelijk; receptief
+   gevoelig; ontvankelijk; receptief; vatbaar
 
 _____
 
@@ -4543,7 +4551,7 @@
 
 imputation
 imputation [impjuteiʃən]
-   aantĳging
+   aantijging
 
 _____
 
@@ -4561,7 +4569,7 @@
 
 inaccessible
 inaccessible [inæksesəbl]
-   ongenaakbaar; ontoegankelĳk
+   ongenaakbaar; ontoegankelijk
 
 _____
 
@@ -4574,13 +4582,13 @@
 inaugurate
 inaugurate [inɔːgjureit]
    inaugureren
-   inaugureren; inwĳden; onthullen
+   inaugureren; inwijden; onthullen
 
 _____
 
 inauguration
 inauguration [inɔːgjureiʃən]
-   inauguratie; inwĳding
+   inauguratie; inwijding
 
 _____
 
@@ -4654,7 +4662,7 @@
 
 incidental
 incidental [insidentl]
-   bĳ‐; minder belangrĳk; ver; zĳ‐; zĳdelings
+   bij‐; minder belangrijk; ver; zij‐; zijdelings
 
 _____
 
@@ -4688,7 +4696,7 @@
 
 incline
 incline [inklain]
-   geneigd zĳn; geneigd zĳn tot; neigen
+   geneigd zijn; geneigd zijn tot; neigen
    buigen; doen overhellen; neigen
 
 _____
@@ -4747,7 +4755,7 @@
 
 inconceivable
 inconceivable [inkənsiːvəbl]
-   onbegrĳpelĳk; ondoorgrondelĳk
+   onbegrijpelijk; ondoorgrondelijk
 
 _____
 
@@ -4759,7 +4767,7 @@
 
 inconvenient
 inconvenient [inkənviːniənt]
-   moeilĳk; lastig; slim; zwaar
+   moeilijk; lastig; slim; zwaar
 
 _____
 
@@ -4771,15 +4779,15 @@
 
 increase
 increase [inkriːs]
-   opdrĳven; ophogen; verheffen; verhogen
-   oplopen; rĳzen; stĳgen
+   opdrijven; ophogen; verheffen; verhogen
+   oplopen; rijzen; stijgen
    aanwakkeren; sterker worden; toenemen
    uitbouwen; uitbreiden; vergroten
    uitbouwing; vergroting
    groeien; aangroeien; toenemen
    vergroting
    vergroten; vermeerderen
-   groeien; aangroeien; stĳgen; toenemen
+   groeien; aangroeien; stijgen; toenemen
    10.aangroei; toename; vermeerdering
 
 _____
@@ -4792,7 +4800,7 @@
 
 incredible
 incredible [inkredəbl]
-   onaannemelĳk; ongelofelĳk
+   onaannemelijk; ongelofelijk
 
 _____
 
@@ -4835,10 +4843,10 @@
 
 indeed
 indeed [indiːd]
-   feitelĳk; inderdaad; metterdaad
+   feitelijk; inderdaad; metterdaad
    immers; toch; wel; zeker
-   echt; werkelĳk; wezenlĳk
-   echt; inderdaad; naar waarheid; waarachtig; waarlĳk; werkelĳk
+   echt; werkelijk; wezenlijk
+   echt; inderdaad; naar waarheid; waarachtig; waarlijk; werkelijk
 
 _____
 
@@ -4850,14 +4858,14 @@
 
 independant
 independant [indipendənt]
-   onafhankelĳk; zelfstandig
-   free‐lance‐; onafhankelĳk
+   onafhankelijk; zelfstandig
+   free‐lance‐; onafhankelijk
 
 _____
 
 indescribably
 indescribably [indiskraibəbliː]
-   onbeschrĳflĳk
+   onbeschrijflijk
 
 _____
 
@@ -4865,15 +4873,15 @@
 index [indeks]
    indexeren
    index; inhoudsopgave; register
-   aanduiding; aanwĳzing; index
-   lĳst; tabel; tafel
+   aanduiding; aanwijzing; index
+   lijst; tabel; tafel
 
 _____
 
 indicate
 indicate [indikeit]
-   aanduiden; aangeven; aanwĳzen; uitduiden
-   laten zien; tentoonspreiden; tonen; vertonen; wĳzen; uitwĳzen
+   aanduiden; aangeven; aanwijzen; uitduiden
+   laten zien; tentoonspreiden; tonen; vertonen; wijzen; uitwijzen
    aanduiden; aangeven; een teken geven; merken; kenmerken; tekenen
 
 _____
@@ -4882,19 +4890,19 @@
 indication [indikeiʃən]
    teken; voorbode; voorteken
    omen; voorteken
-   aanduiding; aanwĳzing
+   aanduiding; aanwijzing
 
 _____
 
 indicative
 indicative [indikətiv]
-   aantonende wĳs; indicatief
+   aantonende wijs; indicatief
 
 _____
 
 indicative mood
 indicative mood [indikətivmuːd]
-   aantonende wĳs; indicatief
+   aantonende wijs; indicatief
 
 _____
 
@@ -4937,7 +4945,7 @@
 
 indigestion
 indigestion [indidʒestʃən]
-   dyspepsie; indigestie; slechte spĳsvertering
+   dyspepsie; indigestie; slechte spijsvertering
    indigestie
 
 _____
@@ -4950,13 +4958,13 @@
 
 indispensable
 indispensable [indispensəbl]
-   onmisbaar; onontbeerlĳk
+   onmisbaar; onontbeerlijk
 
 _____
 
 indistinct
 indistinct [indistiŋkt]
-   duister; onduidelĳk; troebel; vaag
+   duister; onduidelijk; troebel; vaag
 
 _____
 
@@ -4968,7 +4976,7 @@
 
 individual
 individual [individʒeəl]
-   individueel; hoofdelĳk
+   individueel; hoofdelijk
    enkeling; individu; sujet
 
 _____
@@ -4993,7 +5001,7 @@
 
 indulge
 indulge [indʌldʒ]
-   ontzien; sparen; toegeeflĳk zĳn voor; zich laten vermurwen
+   ontzien; sparen; toegeeflijk zijn voor; zich laten vermurwen
 
 _____
 
@@ -5023,26 +5031,26 @@
 
 industrial branch
 industrial branch [indʌstriəlbrɑːntʃ]
-   bedrĳfstak
+   bedrijfstak
 
 _____
 
 industrious
 industrious [indʌstriəs]
-   ĳverig; naarstig; nĳver; vlĳtig
+   ijverig; naarstig; nijver; vlijtig
 
 _____
 
 industry
 industry [indʌstriː]
-   ĳver; naarstigheid; vlĳt
-   industrie; nĳverheid
+   ijver; naarstigheid; vlijt
+   industrie; nijverheid
 
 _____
 
 inebriety
 inebriety [inibraiətiː]
-   beschonkenheid; dronkenschap; roes; zatheid; zwĳmel
+   beschonkenheid; dronkenschap; roes; zatheid; zwijmel
 
 _____
 
@@ -5072,7 +5080,7 @@
 
 inexpressibly
 inexpressibly [inikspresəbliː]
-   onuitsprekelĳk
+   onuitsprekelijk
 
 _____
 
@@ -5116,8 +5124,8 @@
 
 infectious
 infectious [infekʃəs]
-   aanstekelĳk; besmettelĳk; verpestend
-   aanstekelĳk; besmettelĳk
+   aanstekelijk; besmettelijk; verpestend
+   aanstekelijk; besmettelijk
 
 _____
 
@@ -5136,7 +5144,7 @@
 inferior
 inferior [infiəriər]
    minderwaardig
-   minderwaardig; ondeugdelĳk
+   minderwaardig; ondeugdelijk
    inferieur; minderwaardig
 
 _____
@@ -5232,7 +5240,7 @@
 information
 information [infəmeiʃən]
    informatie
-   bericht; informatie; inlichting; terechtwĳzing; verwittiging
+   bericht; informatie; inlichting; terechtwijzing; verwittiging
 
 _____
 
@@ -5296,7 +5304,7 @@
 initial
 initial [iniʃl]
    initiaal; voorletter
-   aanvangs‐; aanvankelĳk; begin‐
+   aanvangs‐; aanvankelijk; begin‐
    beginletter; initiaal
    beginletter; voorletter
 
@@ -5508,7 +5516,7 @@
 
 insanity
 insanity [insænitiː]
-   gekheid; zinneloosheid; zinsverbĳstering
+   gekheid; zinneloosheid; zinsverbijstering
    gekte; gekheid; krankzinnigheid; uitzinnigheid; waanzin
 
 _____
@@ -5650,20 +5658,20 @@
 
 instalment
 instalment [insteilmənt]
-   afbetalingstermĳn; annuïteit
+   afbetalingstermijn; annuïteit
    aanbetaling
 
 _____
 
 instant
 instant [instənt]
-   moment; ogenblik; oogwenk; tel; tĳdstip; wĳl; wip
+   moment; ogenblik; oogwenk; tel; tijdstip; wijl; wip
 
 _____
 
 instantly
 instantly [instəntliː]
-   dadelĳk; onmiddellĳk; op stel en sprong; terstond; zonder verwĳl
+   dadelijk; onmiddellijk; op stel en sprong; terstond; zonder verwijl
 
 _____
 
@@ -5713,20 +5721,20 @@
 instruct
 instruct [instrʌkt]
    instrueren
-   aanschrĳven
+   aanschrijven
 
 _____
 
 instruction
 instruction [instrʌkʃən]
-   aanwĳzing; consigne; instructie
-   onderricht; onderwĳs; ontwikkeling
+   aanwijzing; consigne; instructie
+   onderricht; onderwijs; ontwikkeling
 
 _____
 
 instructor
 instructor [instrʌktər]
-   instructeur; leraar; onderwĳzer; schoolmeester
+   instructeur; leraar; onderwijzer; schoolmeester
 
 _____
 
@@ -5745,7 +5753,7 @@
 insubordinate
 insubordinate [insəbɔːdineit]
    onwillig
-   ongehoorzaam; ongezeglĳk
+   ongehoorzaam; ongezeglijk
    oproerig; opstandig
 
 _____
@@ -5778,7 +5786,7 @@
 insult [insʌlt]
    affronteren; beledigen; krenken
    affront; belediging; smaad
-   beledigen; grieven; krenken; verongelĳken
+   beledigen; grieven; krenken; verongelijken
 
 _____
 
@@ -5790,7 +5798,7 @@
 
 insulting
 insulting [insʌltiŋ]
-   beledigend; smadelĳk
+   beledigend; smadelijk
 
 _____
 
@@ -5844,7 +5852,7 @@
 
 intellectual
 intellectual [intəlektʃeəl]
-   intellectueel; verstandelĳk
+   intellectueel; verstandelijk
    intellectueel; verstandsmens
 
 _____
@@ -5858,20 +5866,20 @@
 
 intelligent
 intelligent [intelidʒənt]
-   bevattelĳk; intelligent; knap; snugger
+   bevattelijk; intelligent; knap; snugger
 
 _____
 
 intelligibility
 intelligibility [intelidʒəbilitiː]
-   begrĳpelĳkheid; verstaanbaarheid
+   begrijpelijkheid; verstaanbaarheid
 
 _____
 
 intend
 intend [intend]
    bedoelen; beogen; mikken; mikken op; rooien; ten doel hebben
-   van plan zĳn; voorhebben; voornemens zĳn; zich voorstellen
+   van plan zijn; voorhebben; voornemens zijn; zich voorstellen
 
 _____
 
@@ -5895,7 +5903,7 @@
 
 intentional
 intentional [intenʃənl]
-   bedoeld; moedwillig; opzettelĳk
+   bedoeld; moedwillig; opzettelijk
 
 _____
 
@@ -6077,7 +6085,7 @@
 
 intervene
 intervene [intəviːn]
-   ingrĳpen; interveniëren; tussenbeide komen
+   ingrijpen; interveniëren; tussenbeide komen
 
 _____
 
@@ -6102,13 +6110,13 @@
 
 intimate
 intimate [intimət]
-   gezellig; innig; intiem; knus; vertrouwelĳk
+   gezellig; innig; intiem; knus; vertrouwelijk
 
 _____
 
 intimidation
 intimidation [intimideiʃən]
-   bangmakerĳ
+   bangmakerij
 
 _____
 
@@ -6283,7 +6291,7 @@
 
 invincible
 invincible [invinsəbl]
-   onbedwingbaar; onoverwinnelĳk
+   onbedwingbaar; onoverwinnelijk
 
 _____
 
@@ -6307,8 +6315,8 @@
 
 invoice
 invoice [invɔis]
-   declareren; factureren; op een rekening schrĳven
-   factuur; nota; rekening; warenlĳst
+   declareren; factureren; op een rekening schrijven
+   factuur; nota; rekening; warenlijst
 
 _____
 
@@ -6329,14 +6337,14 @@
 
 in arabic
 in Arabic [inærəbik]
-   in het Arabisch; op zĳn Arabisch
+   in het Arabisch; op zijn Arabisch
 
 _____
 
 in english
 in English [iniŋgliʃ]
    in het Engels
-   in het Engels; op zĳn Engels
+   in het Engels; op zijn Engels
 
 _____
 
@@ -6350,29 +6358,29 @@
 in accordance with
 in accordance with [inəkɔːdənswið]
    in overeenstemming met
-   blĳkens; conform; volgens
+   blijkens; conform; volgens
 
 _____
 
 in action
 in action [inækʃən]
-   actief; bedrĳvend; bedrĳving; werkdadig; werkend; werkzaam
-   actief; bedrĳvig; werkdadig; werkend; werkzaam
+   actief; bedrijvend; bedrijving; werkdadig; werkend; werkzaam
+   actief; bedrijvig; werkdadig; werkend; werkzaam
 
 _____
 
 in addition
 in addition [inədiʃən]
    extra; op de koop toe
-   bovendien; buitendien; daarbĳ; verder
-   bovendien; buitendien; daarbĳ
+   bovendien; buitendien; daarbij; verder
+   bovendien; buitendien; daarbij
    bovendien; daarenboven; verder; voorts
 
 _____
 
 in all
 in all [inl]
-   bĳ elkaar; in totaal; totaliter
+   bij elkaar; in totaal; totaliter
 
 _____
 
@@ -6439,7 +6447,7 @@
 
 in detail
 in detail [indiːteil]
-   rĳpelĳk
+   rijpelijk
 
 _____
 
@@ -6463,7 +6471,7 @@
 
 in every way
 in every way [inevriːwei]
-   alleszins; op alle manieren; op alle wĳzen
+   alleszins; op alle manieren; op alle wijzen
    alleszins
 
 _____
@@ -6476,8 +6484,8 @@
 
 in fact
 in fact [infækt]
-   inderdaad; metterdaad; waarachtig; waarlĳk; warempel; werkelĳk
-   feitelĳk; inderdaad; metterdaad
+   inderdaad; metterdaad; waarachtig; waarlijk; warempel; werkelijk
+   feitelijk; inderdaad; metterdaad
 
 _____
 
@@ -6495,25 +6503,25 @@
 
 in my opinion
 in my opinion [inmiːəpiniən]
-   mĳns inziens
+   mijns inziens
 
 _____
 
 in my view
 in my view [inmiːvjuː]
-   mĳns inziens
+   mijns inziens
 
 _____
 
 in no way
 in no way [innouwei]
-   geenszins; in geen geval; op geen enkele wĳze
+   geenszins; in geen geval; op geen enkele wijze
 
 _____
 
 in ones absence
 in one's absence [inwʌnzæbsəns]
-   bĳ verstek
+   bij verstek
 
 _____
 
@@ -6537,7 +6545,7 @@
 
 in rows
 in rows [inrouz]
-   in de rĳ; in een rĳ; in rĳen
+   in de rij; in een rij; in rijen
 
 _____
 
@@ -6549,26 +6557,26 @@
 
 in spite of
 in spite of [inspaitɔf]
-   in weerwil van; niettegenstaande; ondanks; ten spĳte van; trots
+   in weerwil van; niettegenstaande; ondanks; ten spijte van; trots
 
 _____
 
 in that way
 in that way [inðætwei]
-   dus; aldus; in dier voege; op die wĳze; zo; zodanig; zodoende
+   dus; aldus; in dier voege; op die wijze; zo; zodanig; zodoende
 
 _____
 
 in the cuban way
 in the Cuban way [inðkjuːbənwei]
-   op zĳn Cubaans
+   op zijn Cubaans
 
 _____
 
 in the absence of
 in the absence of [inðæbsənsɔf]
    in afwezigheid van
-   bĳ gebrek aan
+   bij gebrek aan
 
 _____
 
@@ -6580,8 +6588,8 @@
 
 in the beginning
 in the beginning [inðbiginiŋ]
-   aanvankelĳk; in het begin
-   aanvankelĳk
+   aanvankelijk; in het begin
+   aanvankelijk
 
 _____
 
@@ -6641,25 +6649,25 @@
 
 in this manner
 in this manner [inðaizmænər]
-   aldus; op deze manier; op deze wĳze; zo
+   aldus; op deze manier; op deze wijze; zo
 
 _____
 
 in this way
 in this way [inðaizwei]
-   aldus; op deze manier; op deze wĳze; zo
+   aldus; op deze manier; op deze wijze; zo
 
 _____
 
 in time
 in time [intaim]
-   bĳtĳds; op tĳd; tĳdig
+   bijtijds; op tijd; tijdig
 
 _____
 
 in turn
 in turn [intəːn]
-   beurtelings; bĳ toerbeurt; om de beurt; op de beurt; op de rĳ af
+   beurtelings; bij toerbeurt; om de beurt; op de beurt; op de rij af
 
 _____
 
@@ -6671,7 +6679,7 @@
 
 in what way
 in what way [inwɔtwei]
-   hoe; op welke manier; op welke wĳze
+   hoe; op welke manier; op welke wijze
 
 _____
 
@@ -6683,7 +6691,7 @@
 
 in working order
 in working order [inwəːkiŋɔːdər]
-   bedrĳfsklaar
+   bedrijfsklaar
 
 _____
 
@@ -6713,10 +6721,10 @@
 
 iron
 iron [aiən]
-   ĳzeren
-   ĳzer
-   strĳken; gladstrĳken
-   bout; strĳkbout; strĳkĳzer
+   ijzeren
+   ijzer
+   strijken; gladstrijken
+   bout; strijkbout; strijkijzer
 
 _____
 
@@ -6728,7 +6736,7 @@
 
 ironing board
 ironing board [aiərəniŋbɔːd]
-   strĳkplank
+   strijkplank
 
 _____
 
@@ -6746,13 +6754,13 @@
 
 iron clothes
 iron clothes [aiənklouðz]
-   strĳken; gladstrĳken
+   strijken; gladstrijken
 
 _____
 
 iron wire
 iron wire [aiənwaiər]
-   ĳzerdraad
+   ijzerdraad
 
 _____
 
@@ -6794,7 +6802,7 @@
 
 irritating
 irritating [iriteitiŋ]
-   ergerlĳk; hinderlĳk; irritant
+   ergerlijk; hinderlijk; irritant
 
 _____
 
@@ -6871,8 +6879,8 @@
 
 its
 its [its]
-   haar; hun; zĳn
-   haar; zĳn
+   haar; hun; zijn
+   haar; zijn
 
 _____
 
@@ -6923,7 +6931,7 @@
 jack
 jack [dʒæk]
    boer; boer in kaartspel
-   dommekracht; krik; vĳzel
+   dommekracht; krik; vijzel
 
 _____
 
@@ -7014,14 +7022,14 @@
 
 jealous
 jealous [dʒeləs]
-   afgunstig; ĳverzuchtig; jaloers
-   jaloers; naĳverig
+   afgunstig; ijverzuchtig; jaloers
+   jaloers; naijverig
 
 _____
 
 jealousy
 jealousy [dʒeləsiː]
-   jaloezie; naĳver
+   jaloezie; naijver
 
 _____
 
@@ -7065,7 +7073,7 @@
 
 jester
 jester [dʒestər]
-   clown; hansworst; harlekĳn; zot
+   clown; hansworst; harlekijn; zot
 
 _____
 
@@ -7127,9 +7135,9 @@
 join [dʒɔin]
    lid worden; toetreden; zich aansluiten
    aan elkaar vastmaken; verbinden
-   aaneenvoegen; bĳeenbrengen; samenbrengen; verenigen
+   aaneenvoegen; bijeenbrengen; samenbrengen; verenigen
    aansluiten; zich aaneensluiten; zich verenigen
-   bĳeenbinden; samenbinden; verbinden
+   bijeenbinden; samenbinden; verbinden
    aansluiten; binden; vastbinden; vastmaken; verbinden
    verenigen
    zich verenigen
@@ -7146,8 +7154,8 @@
 joint
 joint [dʒɔint]
    geleding; gewricht; knoop; lid; gelid
-   collectief; gemeenschappelĳk; gezamenlĳk
-   algemeen; gemeenschappelĳk; gezamenlĳk
+   collectief; gemeenschappelijk; gezamenlijk
+   algemeen; gemeenschappelijk; gezamenlijk
 
 _____
 
@@ -7181,8 +7189,8 @@
 journalist [dʒəːnəlist]
    journaliste
    journalist
-   dagbladschrĳfster; journaliste
-   dagbladschrĳver; journalist
+   dagbladschrijfster; journaliste
+   dagbladschrijver; journalist
 
 _____
 
@@ -7194,14 +7202,14 @@
 
 joy
 joy [dʒɔi]
-   blĳdschap
-   blĳdschap; blĳheid; verheugenis; verheuging; vreugde
+   blijdschap
+   blijdschap; blijheid; verheugenis; verheuging; vreugde
 
 _____
 
 joyful
 joyful [dʒɔifəl]
-   heuglĳk; verblĳdend; verheugend; verheuglĳk
+   heuglijk; verblijdend; verheugend; verheuglijk
 
 _____
 
@@ -7353,9 +7361,9 @@
 
 just
 just [dʒʌst]
-   billĳk; fair; rechtvaardig
+   billijk; fair; rechtvaardig
    alleen; enkel; maar; pas; slechts; uitsluitend
-   aanstonds; dadelĳk; meteen; op staande voet; schielĳk; subiet; zo
+   aanstonds; dadelijk; meteen; op staande voet; schielijk; subiet; zo
    juist; net; OK; okee; okay; oké; pal; precies
    juist; net; pas; straks; zoëven; zojuist
 
@@ -7363,7 +7371,7 @@
 
 justice
 justice [dʒʌstis]
-   billĳkheid; gerechtigheid; rechtvaardigheid
+   billijkheid; gerechtigheid; rechtvaardigheid
 
 _____
 
@@ -7423,11 +7431,11 @@
 
 keep
 keep [kiːp]
-   blĳven
+   blijven
    fokken; opfokken; opkweken; telen
    bewaken; bewaren; de wacht hebben; hoeden; waken over
    behouden; bergen; bewaren; conserveren; onderhouden; overhouden
-   gadeslaan; observeren; toekĳken; toezien; waarnemen
+   gadeslaan; observeren; toekijken; toezien; waarnemen
    nakomen; naleven; uitvoeren; verrichten; vervullen; voltrekken
    behouden; bergen; redden
 
@@ -7454,7 +7462,7 @@
 
 keep an eye on
 keep an eye on [kiːpæniːwʌn]
-   bespioneren; op de uitkĳk staan
+   bespioneren; op de uitkijk staan
 
 _____
 
@@ -7490,13 +7498,13 @@
 
 keep on
 keep on [kiːpwʌn]
-   aanhouden; beklĳven; duren; standhouden; voortduren
+   aanhouden; beklijven; duren; standhouden; voortduren
 
 _____
 
 keep ones hands off
 keep one's hands off [kiːpwʌnzhændzɔf]
-   afblĳven van; laten staan
+   afblijven van; laten staan
 
 _____
 
@@ -7647,11 +7655,11 @@
 
 kind
 kind [kaind]
-   aardig; lief; voorkomend; vriendelĳk; zoet
-   aardig; beminnelĳk; lief; vriendelĳk
+   aardig; lief; voorkomend; vriendelijk; zoet
+   aardig; beminnelijk; lief; vriendelijk
    goedaardig; goedhartig; goedig
-   bereidvaardig; bereidwillig; schikkelĳk; voorkomend; welwillend
-   attent; bereidwillig; toeschietelĳk
+   bereidvaardig; bereidwillig; schikkelijk; voorkomend; welwillend
+   attent; bereidwillig; toeschietelijk
    aard; slag; soort
 
 _____
@@ -7664,7 +7672,7 @@
 
 kindness
 kindness [kaindnəs]
-   liefheid; voorkomendheid; vriendelĳkheid
+   liefheid; voorkomendheid; vriendelijkheid
 
 _____
 
@@ -7677,13 +7685,13 @@
 
 kingdom
 kingdom [kiŋdəm]
-   koninkrĳk
+   koninkrijk
 
 _____
 
 kingfisher
 kingfisher [kiŋfiʃər]
-   ĳsvogel
+   ijsvogel
 
 _____
 
@@ -7841,8 +7849,8 @@
 
 know
 know [nou]
-   bekend zĳn met; kennen
-   beheersen; kennen; machtig zĳn
+   bekend zijn met; kennen
+   beheersen; kennen; machtig zijn
    weten
 
 _____
@@ -7857,7 +7865,7 @@
 know how
 know how [nouhau]
    weten
-   beheersen; kennen; machtig zĳn
+   beheersen; kennen; machtig zijn
 
 _____
 
@@ -8114,7 +8122,7 @@
 
 laggard
 laggard [lægəd]
-   achterblĳver
+   achterblijver
 
 _____
 
@@ -8185,8 +8193,8 @@
    aan land gaan; aan wal komen; landen
    aan land gaan; landen; aanlanden
    land
-   dalen; landen; neerstrĳken
-   aarde; aardrĳk; bodem; grond; land
+   dalen; landen; neerstrijken
+   aarde; aardrijk; bodem; grond; land
 
 _____
 
@@ -8218,7 +8226,7 @@
 
 landmark
 landmark [lændmɑːk]
-   mĳlpaal
+   mijlpaal
 
 _____
 
@@ -8254,7 +8262,7 @@
 
 lanky
 lanky [læŋkiː]
-   groot; lang; rĳzig
+   groot; lang; rijzig
 
 _____
 
@@ -8358,19 +8366,19 @@
 last [lɑːst]
    verleden; voorafgaand; voorgaand; vorig; vroeger
    aanhouden
-   aanhouden; beklĳven; duren; standhouden; voortduren
+   aanhouden; beklijven; duren; standhouden; voortduren
    bestendigen; continueren; doorlopen; voortduren
    achterste; jongstgeleden; laatst
-   afgelopen; laatstleden; verleden; verschenen; vervlogen; voorbĳ
+   afgelopen; laatstleden; verleden; verschenen; vervlogen; voorbij
 
 _____
 
 lasting
 lasting [lɑːstiŋ]
-   aanhoudend; bestendig; blĳvend; gedurig; vast; voortdurend
+   aanhoudend; bestendig; blijvend; gedurig; vast; voortdurend
    aanhoudend; continu; onafgebroken; voortdurend
    bestendig; constant
-   aanhoudend; onophoudelĳk; voortdurend
+   aanhoudend; onophoudelijk; voortdurend
 
 _____
 
@@ -8403,7 +8411,7 @@
 
 lately
 lately [lətəliː]
-   de laatste tĳd; recentelĳk
+   de laatste tijd; recentelijk
 
 _____
 
@@ -8415,7 +8423,7 @@
 
 later on
 later on [lætərwʌn]
-   later; op een later tĳdstip
+   later; op een later tijdstip
    later
 
 _____
@@ -8452,7 +8460,7 @@
 
 lathe
 lathe [lɑːð]
-   draaibank; draaischĳf
+   draaibank; draaischijf
 
 _____
 
@@ -8470,8 +8478,8 @@
 
 laud
 laud [lɔːd]
-   loven; prĳzen; roemen; verheerlĳken
-   lof toezwaaien; loven; prĳzen; roemen
+   loven; prijzen; roemen; verheerlijken
+   lof toezwaaien; loven; prijzen; roemen
 
 _____
 
@@ -8496,7 +8504,7 @@
 
 launch
 launch [lɔːntʃ]
-   lanceren; ontketenen; uitschrĳven; van stapel laten lopen
+   lanceren; ontketenen; uitschrijven; van stapel laten lopen
    barkas
 
 _____
@@ -8509,7 +8517,7 @@
 
 laundry
 laundry [lɔːndriː]
-   wasserĳ
+   wasserij
 
 _____
 
@@ -8598,8 +8606,8 @@
 
 lay
 lay [lei]
-   leggen; neerleggen; vlĳen
-   leke‐; wereldlĳk
+   leggen; neerleggen; vlijen
+   leke‐; wereldlijk
 
 _____
 
@@ -8622,7 +8630,7 @@
 
 layman
 layman [leimən]
-   leek; niet‐ingewĳde
+   leek; niet‐ingewijde
 
 _____
 
@@ -8676,7 +8684,7 @@
 
 lead
 lead [led]
-   de weg wĳzen; leiden; geleiden; rondleiden
+   de weg wijzen; leiden; geleiden; rondleiden
    besturen; brengen; leiden; geleiden; voeren
    loden
    lood
@@ -8728,7 +8736,7 @@
 
 league
 league [liːg]
-   mĳl
+   mijl
    bond; liga; verbond
 
 _____
@@ -8814,7 +8822,7 @@
 
 leasurely
 leasurely [leʒəliː]
-   langzaam; op zĳn gemak; zachtjes; zoetjes
+   langzaam; op zijn gemak; zachtjes; zoetjes
 
 _____
 
@@ -8835,9 +8843,9 @@
 leave [liːv]
    afvaren
    afreizen; op reis gaan
-   afgaan; vertrekken; weggaan; zich verwĳderen
+   afgaan; vertrekken; weggaan; zich verwijderen
    in de steek laten; laten varen; verlaten
-   verlof; vrĳaf
+   verlof; vrijaf
    afreizen; op reis gaan
    nalaten
    laten; laten begaan; laten schieten; loslaten; toelaten
@@ -8870,7 +8878,7 @@
 
 leave out of account
 leave out of account [liːvautɔfəkaunt]
-   negeren; onder tafel schuiven; passeren; wegcĳferen
+   negeren; onder tafel schuiven; passeren; wegcijferen
    buiten beschouwing laten; geen rekening houden met
    geen rekening houden met
 
@@ -8936,9 +8944,9 @@
 left
 left [left]
    linker‐; links
-   linkerzĳde
+   linkerzijde
    linksaf; linksom; naar links
-   blĳvend; over; resterend
+   blijvend; over; resterend
 
 _____
 
@@ -8950,13 +8958,13 @@
 
 left over
 left over [leftouvər]
-   blĳvend; over; resterend
+   blijvend; over; resterend
 
 _____
 
 left side
 left side [leftsaid]
-   linkerzĳde
+   linkerzijde
 
 _____
 
@@ -8969,7 +8977,7 @@
 
 legal
 legal [liːgl]
-   legaal; wettelĳk; wettig; gewettigd
+   legaal; wettelijk; wettig; gewettigd
 
 _____
 
@@ -9017,7 +9025,7 @@
 
 leisurely
 leisurely [leʒəliː]
-   kalm; op zĳn gemak; rustig
+   kalm; op zijn gemak; rustig
 
 _____
 
@@ -9092,7 +9100,7 @@
 
 lenient
 lenient [liːniənt]
-   goedertieren; lankmoedig; schappelĳk
+   goedertieren; lankmoedig; schappelijk
 
 _____
 
@@ -9116,7 +9124,7 @@
 
 leper
 leper [lepər]
-   lepralĳder; leproos; melaatse
+   lepralijder; leproos; melaatse
 
 _____
 
@@ -9171,14 +9179,14 @@
 
 lethargy
 lethargy [leθədʒiː]
-   doffe onverschilligheid; lethargie; schĳndood; zinsverdoving
+   doffe onverschilligheid; lethargie; schijndood; zinsverdoving
 
 _____
 
 letter
 letter [letər]
    brief; epistel; zendbrief
-   brief; epistel; missive; schrĳven
+   brief; epistel; missive; schrijven
    letter
 
 _____
@@ -9241,10 +9249,10 @@
 level
 level [levəl]
    aan de schouder brengen; aanleggen
-   effen; gelĳk; vlak
-   effenen; gelĳkmaken; slechten
-   eender; egaal; gelĳk; gelĳkmatig
-   egaliseren; gelĳkmaken; vlakken
+   effen; gelijk; vlak
+   effenen; gelijkmaken; slechten
+   eender; egaal; gelijk; gelijkmatig
+   egaliseren; gelijkmaken; vlakken
    afgraven; weggraven
    horizontaal; platliggend; waterpas
    nivelleren
@@ -9266,7 +9274,7 @@
 
 lewd
 lewd [ljuːd]
-   oneerbaar; onkuis; ontuchtig; onzedelĳk
+   oneerbaar; onkuis; ontuchtig; onzedelijk
 
 _____
 
@@ -9278,13 +9286,13 @@
 
 liability insurance
 liability insurance [laiəbilitiːinʃeərəns]
-   aansprakelĳkheidsverzekering
+   aansprakelijkheidsverzekering
 
 _____
 
 liberal
 liberal [librəl]
-   liberaal; vrĳzinnig
+   liberaal; vrijzinnig
 
 _____
 
@@ -9296,14 +9304,14 @@
 
 library
 library [laibrəriː]
-   bibliotheek; boekerĳ
+   bibliotheek; boekerij
 
 _____
 
 licence
 licence [laisns]
    licentie; vergunning
-   vergunning; vrĳbrief
+   vergunning; vrijbrief
 
 _____
 
@@ -9311,7 +9319,7 @@
 license [laisns]
    een vergunning geven
    licentie; vergunning
-   vergunning; vrĳbrief
+   vergunning; vrijbrief
 
 _____
 
@@ -9395,7 +9403,7 @@
 lift [lift]
    opgraven; rooien
    beuren; heffen; ophalen; oprichten; tillen; verheffen
-   opgaan; opkomen; opstaan; rĳzen; stĳgen; verrĳzen; wassen
+   opgaan; opkomen; opstaan; rijzen; stijgen; verrijzen; wassen
    lift
 
 _____
@@ -9425,7 +9433,7 @@
    hel; helder; klaar; licht
    helder; licht; lichtend
    aansteken; belichten; verlichten; voorlichten
-   licht; schĳn; schĳnsel
+   licht; schijn; schijnsel
    licht; zwak
    licht
 
@@ -9470,7 +9478,7 @@
 
 light up
 light up [laitʌp]
-   belichten; beschĳnen; overschĳnen
+   belichten; beschijnen; overschijnen
 
 _____
 
@@ -9482,35 +9490,35 @@
 
 like
 like [laik]
-   als; op de manier van; op de wĳze van; zoals
-   eender; gelĳkend; gelĳksoortig; gelĳkvormig; soortgelĳk
+   als; op de manier van; op de wijze van; zoals
+   eender; gelijkend; gelijksoortig; gelijkvormig; soortgelijk
    hechten aan; houden van; mogen; waarderen
 
 _____
 
 likely
 likely [laikliː]
-   waarschĳnlĳk
+   waarschijnlijk
 
 _____
 
 likewise
 likewise [laikjuːiːz]
    eveneens; evenzeer; mede; ook
-   even; eveneens; idem; insgelĳks; van hetzelfde
+   even; eveneens; idem; insgelijks; van hetzelfde
 
 _____
 
 like that
 like that [laikðæt]
-   aldus; op die manier; op die wĳze; zo; zus
+   aldus; op die manier; op die wijze; zo; zus
 
 _____
 
 like this
 like this [laikðaiz]
-   dus; aldus; in dier voege; op die wĳze; zo; zodanig; zodoende
-   aldus; op deze manier; op deze wĳze; zo
+   dus; aldus; in dier voege; op die wijze; zo; zodanig; zodoende
+   aldus; op deze manier; op deze wijze; zo
 
 _____
 
@@ -9604,9 +9612,9 @@
 
 line
 line [lain]
-   sim; snoer; hengelsnoer; vislĳn; vissnoer
-   lĳn; linie; regel; schreef; streep; toer
-   beurt; file; gelid; reeks; rĳ; toerbeurt
+   sim; snoer; hengelsnoer; vislijn; vissnoer
+   lijn; linie; regel; schreef; streep; toer
+   beurt; file; gelid; reeks; rij; toerbeurt
 
 _____
 
@@ -9619,19 +9627,19 @@
 linen
 linen [linin]
    linnen
-   doek; lĳnwaad; linnen
+   doek; lijnwaad; linnen
 
 _____
 
 lineseed oil
 lineseed oil [lainiːsiːdɔil]
-   lĳnolie
+   lijnolie
 
 _____
 
 line up
 line up [lainʌp]
-   aantreden; in de rĳ gaan staan; in de rĳ komen
+   aantreden; in de rij gaan staan; in de rij komen
 
 _____
 
@@ -9727,7 +9735,7 @@
 liquidate
 liquidate [likwideit]
    afwikkelen; liquideren; opheffen; solveren
-   laten verdwĳnen; dieven; wegmaken
+   laten verdwijnen; dieven; wegmaken
    doden; doodmaken; ombrengen
 
 _____
@@ -9758,8 +9766,8 @@
 
 list
 list [list]
-   een lĳst maken; uitlisten
-   ceel; cedel; lĳst; rol
+   een lijst maken; uitlisten
+   ceel; cedel; lijst; rol
 
 _____
 
@@ -9795,7 +9803,7 @@
 
 literal
 literal [litərəl]
-   letterlĳk; woordelĳk
+   letterlijk; woordelijk
 
 _____
 
@@ -9869,8 +9877,8 @@
 
 little by little
 little by little [litlbiːlitl]
-   geleidelĳk; langzamerhand; zoetjes aan
-   geleidelĳk
+   geleidelijk; langzamerhand; zoetjes aan
+   geleidelijk
 
 _____
 
@@ -9900,7 +9908,7 @@
 
 live
 live [laiv]
-   gevestigd zĳn; huizen; resideren; wonen
+   gevestigd zijn; huizen; resideren; wonen
    leven
 
 _____
@@ -10046,7 +10054,7 @@
 
 local
 local [loukl]
-   lokaal; plaatselĳk
+   lokaal; plaatselijk
 
 _____
 
@@ -10158,7 +10166,7 @@
 long
 long [lɔŋ]
    lang
-   lang; lange tĳd; voor lange tĳd
+   lang; lange tijd; voor lange tijd
 
 _____
 
@@ -10195,11 +10203,11 @@
 
 look
 look [luk]
-   er uitzien; het uiterlĳk hebben van
-   aanblik; aanzien; air; schĳn; uiterlĳk; verschĳning; voorkomen
-   hier; hierzo; kĳk; ziedaar; ziehier; ziezo
-   blikken; kĳken; bekĳken; kĳken naar; schouwen; toekĳken; toezien
-   blik; aanblik; kĳk
+   er uitzien; het uiterlijk hebben van
+   aanblik; aanzien; air; schijn; uiterlijk; verschijning; voorkomen
+   hier; hierzo; kijk; ziedaar; ziehier; ziezo
+   blikken; kijken; bekijken; kijken naar; schouwen; toekijken; toezien
+   blik; aanblik; kijk
 
 _____
 
@@ -10212,7 +10220,7 @@
 look after
 look after [lukɑːftər]
    bewaken; bewaren; de wacht hebben; hoeden; waken over
-   nakĳken; naogen
+   nakijken; naogen
    behartigen; verzorgen
    oppassen; verzorgen
 
@@ -10220,26 +10228,26 @@
 
 look askance
 look askance [lukæskəns]
-   loensen; scheelkĳken; scheelzien
+   loensen; scheelkijken; scheelzien
 
 _____
 
 look at
 look at [lukeit]
    beschouwen
-   blikken; kĳken; bekĳken; kĳken naar; schouwen; toekĳken; toezien
+   blikken; kijken; bekijken; kijken naar; schouwen; toekijken; toezien
 
 _____
 
 look down
 look down [lukdaun]
-   naar beneden kĳken; neerkĳken
+   naar beneden kijken; neerkijken
 
 _____
 
 look for
 look for [lukfər]
-   snorren; uitkĳken naar; uitzien naar; zoeken; opzoeken
+   snorren; uitkijken naar; uitzien naar; zoeken; opzoeken
 
 _____
 
@@ -10304,7 +10312,7 @@
 lose
 lose [luːz]
    afvallen; vermageren
-   kwĳtraken; opgeven; verbeuren; verliezen; verspelen
+   kwijtraken; opgeven; verbeuren; verliezen; verspelen
    verliezen; verslagen worden
 
 _____
@@ -10337,8 +10345,8 @@
 
 lost
 lost [lɔst]
-   kwĳt; verloren; vervlogen
-   de weg kwĳt; verdwaald
+   kwijt; verloren; vervlogen
+   de weg kwijt; verdwaald
 
 _____
 
@@ -10350,7 +10358,7 @@
 
 lottery
 lottery [lɔtəriː]
-   loterĳ; verloting
+   loterij; verloting
 
 _____
 
@@ -10392,7 +10400,7 @@
 
 lovable
 lovable [lʌvəbl]
-   beminnelĳk; beminnenswaardig; lief; lieftallig
+   beminnelijk; beminnenswaardig; lief; lieftallig
 
 _____
 
@@ -10402,7 +10410,7 @@
    affectie; liefde; min
    seksuele hartstocht; verliefdheid
    duurte; kostbaarheid
-   dol zĳn op; gek zĳn op; verzot zĳn op
+   dol zijn op; gek zijn op; verzot zijn op
 
 _____
 
@@ -10421,20 +10429,20 @@
 
 lovely
 lovely [lʌvliː]
-   aangenaam; behaaglĳk; genoeglĳk; heerlĳk; plezierig
-   fĳn; fraai; mooi; knap; net; schoon
-   beeldschoon; kostelĳk; magnifiek; prachtig
+   aangenaam; behaaglijk; genoeglijk; heerlijk; plezierig
+   fijn; fraai; mooi; knap; net; schoon
+   beeldschoon; kostelijk; magnifiek; prachtig
    dierbaar; lief
    allerliefst
-   beeldig; betoverend; heerlĳk; verrukkelĳk
-   bekoorlĳk; charmant; innemend; schattig; snoeperig; snoezig
+   beeldig; betoverend; heerlijk; verrukkelijk
+   bekoorlijk; charmant; innemend; schattig; snoeperig; snoezig
 
 _____
 
 lover
 lover [lʌvər]
-   geliefde; minnares; vriendin; vrĳster
-   geliefde; minnaar; vriend; vrĳer
+   geliefde; minnares; vriendin; vrijster
+   geliefde; minnaar; vriend; vrijer
    beminde; lief; geliefde; liefje; zoetelief
    beminde; lief; geliefde; liefste
 
@@ -10469,8 +10477,8 @@
 lower
 lower [louər]
    afdraaien; verlagen
-   laten zakken; neerhalen; strĳken
-   laten zakken; neerlaten; strĳken; vellen
+   laten zakken; neerhalen; strijken
+   laten zakken; neerlaten; strijken; vellen
    afslaan; verlagen
 
 _____
@@ -10495,7 +10503,7 @@
 
 lower middleclass
 lower middleclass [louərmidliːklæs]
-   kleinburgerlĳk
+   kleinburgerlijk
 
 _____
 
@@ -10507,7 +10515,7 @@
 
 lower part of the body
 lower part of the body [louərpɑːtɔfðboudiː]
-   onderlĳf
+   onderlijf
 
 _____
 
@@ -10590,7 +10598,7 @@
 
 lunacy
 lunacy [luːnəsiː]
-   gekheid; zinneloosheid; zinsverbĳstering
+   gekheid; zinneloosheid; zinsverbijstering
    gekte; gekheid; krankzinnigheid; uitzinnigheid; waanzin
 
 _____
@@ -10725,7 +10733,7 @@
 macabre [məkɑːbrə]
    eng; griezelig
    macaber
-   griezelig; ĳzingwekkend
+   griezelig; ijzingwekkend
 
 _____
 
@@ -10786,7 +10794,7 @@
 
 madness
 madness [mædnəs]
-   gekheid; zinneloosheid; zinsverbĳstering
+   gekheid; zinneloosheid; zinsverbijstering
    gekte; gekheid; krankzinnigheid; uitzinnigheid; waanzin
 
 _____
@@ -10801,7 +10809,7 @@
 magazine [mægəziːn]
    blad; krant
    magazine
-   periodiek; revue; tĳdschrift
+   periodiek; revue; tijdschrift
 
 _____
 
@@ -10809,7 +10817,7 @@
 magic [mædʒik]
    magie; toverkunst
    tover‐; toverachtig
-   toverĳ
+   toverij
 
 _____
 
@@ -10895,7 +10903,7 @@
 
 mail
 mail [meil]
-   post; posterĳen
+   post; posterijen
 
 _____
 
@@ -10925,7 +10933,7 @@
 
 mainly
 mainly [meinliː]
-   in het bĳzonder; inzonderheid; voornamelĳk
+   in het bijzonder; inzonderheid; voornamelijk
 
 _____
 
@@ -10999,7 +11007,7 @@
 make
 make [meik]
    koersen; stevenen; afstevenen
-   maken; aanmaken; bedrĳven; doen; uitbrengen; uitrichten; uitvoeren
+   maken; aanmaken; bedrijven; doen; uitbrengen; uitrichten; uitvoeren
    doen; laten; laten doen; maken
 
 _____
@@ -11066,7 +11074,7 @@
 
 make a list
 make a list [meikəlist]
-   een lĳst maken; uitlisten
+   een lijst maken; uitlisten
 
 _____
 
@@ -11090,7 +11098,7 @@
 
 make a note
 make a note [meikənout]
-   aantekenen; noteren; opschrĳven; teboekstellen
+   aantekenen; noteren; opschrijven; teboekstellen
 
 _____
 
@@ -11157,14 +11165,14 @@
 
 make glad
 make glad [meikglæd]
-   verblĳden; verheugen
+   verblijden; verheugen
 
 _____
 
 make love
 make love [meiklʌv]
-   sex bedrĳven; sex hebben; vrĳen
-   de liefde bedrĳven; gemeenschap hebben; seks hebben
+   sex bedrijven; sex hebben; vrijen
+   de liefde bedrijven; gemeenschap hebben; seks hebben
 
 _____
 
@@ -11188,7 +11196,7 @@
 
 make smooth
 make smooth [meiksmuːθ]
-   banen; effenen; gladmaken; gladstrĳken; uitstrĳken
+   banen; effenen; gladmaken; gladstrijken; uitstrijken
 
 _____
 
@@ -11221,7 +11229,7 @@
 
 make war
 make war [meikər]
-   oorlogvoeren; strĳden
+   oorlogvoeren; strijden
 
 _____
 
@@ -11253,9 +11261,9 @@
 
 male
 male [meil]
-   mannelĳk
-   mannelĳk exemplaar; mannetje
-   mannelĳk
+   mannelijk
+   mannelijk exemplaar; mannetje
+   mannelijk
    mannetje
 
 _____
@@ -11275,13 +11283,13 @@
 malfunction
 malfunction [mælfʌŋkʃən]
    haperen; stuk gaan; uitvallen
-   bĳdraaien; panne hebben
+   bijdraaien; panne hebben
 
 _____
 
 malicious
 malicious [məliʃəs]
-   boosaardig; hatelĳk; kwaadaardig; snood; te kwader trouw; vals
+   boosaardig; hatelijk; kwaadaardig; snood; te kwader trouw; vals
 
 _____
 
@@ -11352,7 +11360,7 @@
 
 manageable
 manageable [mænidʒəbl]
-   handelbaar; inschikkelĳk
+   handelbaar; inschikkelijk
 
 _____
 
@@ -11431,7 +11439,7 @@
 
 manifest
 manifest [mænifest]
-   laten blĳken; manifesteren
+   laten blijken; manifesteren
    manifest
 
 _____
@@ -11456,7 +11464,7 @@
 
 manner
 manner [mænər]
-   manier; trant; wĳze
+   manier; trant; wijze
 
 _____
 
@@ -11512,7 +11520,7 @@
 
 manuscript
 manuscript [mænjuskript]
-   handschrift; kopĳ; manuscript
+   handschrift; kopij; manuscript
 
 _____
 
@@ -11629,8 +11637,8 @@
    merk; merkteken; zegel
    mark
    sein; signaal; teken
-   bewĳs; blĳk; teken; merkteken; wenk
-   aanmunten; afdrukken; slaan; stempelen; zĳn stempel drukken op
+   bewijs; blijk; teken; merkteken; wenk
+   aanmunten; afdrukken; slaan; stempelen; zijn stempel drukken op
 
 _____
 
@@ -11658,7 +11666,7 @@
 
 mark down
 mark down [mɑːkdaun]
-   afprĳzen
+   afprijzen
 
 _____
 
@@ -11688,8 +11696,8 @@
 
 marriage
 marriage [mæridʒ]
-   echt; echtverbintenis; huwelĳk; huwelĳkse staat
-   echt; echtverbintenis; huwelĳk
+   echt; echtverbintenis; huwelijk; huwelijkse staat
+   echt; echtverbintenis; huwelijk
 
 _____
 
@@ -11707,8 +11715,8 @@
 
 marry
 marry [mæriː]
-   in de echt verbinden; trouwen; uithuwelĳken
-   in het huwelĳk treden; trouwen
+   in de echt verbinden; trouwen; uithuwelijken
+   in het huwelijk treden; trouwen
    de vrouw worden van; huwen; trouwen met
    de man worden van; huwen; trouwen met
 
@@ -11734,7 +11742,7 @@
 
 martial
 martial [mɑːʃl]
-   krĳgshaftig; oorlogszuchtig
+   krijgshaftig; oorlogszuchtig
 
 _____
 
@@ -11765,7 +11773,7 @@
 
 masculine
 masculine [mæskjulin]
-   mannelĳk
+   mannelijk
 
 _____
 
@@ -11796,7 +11804,7 @@
 
 masonic
 masonic [məsɔnik]
-   vrĳmetselaars‐
+   vrijmetselaars‐
 
 _____
 
@@ -11824,9 +11832,9 @@
 
 massacre
 massacre [mæsəkər]
-   bloedbad; moordpartĳ
+   bloedbad; moordpartij
    afslachten; moorden; neerhouwen
-   bloedbad; moordpartĳ; slachting
+   bloedbad; moordpartij; slachting
 
 _____
 
@@ -11857,7 +11865,7 @@
 
 master
 master [mɑːstər]
-   meester worden; onder de knie krĳgen
+   meester worden; onder de knie krijgen
    doctorandus; licentiaat; magister; meester
    maëstro; meester; grootmeester
    baas; heer; meester; patroon
@@ -11897,7 +11905,7 @@
 matchmaker
 match‐maker
    koppelaarster
-   huwelĳksmakelaar; koppelaar
+   huwelijksmakelaar; koppelaar
 
 _____
 
@@ -11919,7 +11927,7 @@
 
 material
 material [mətiəriəl]
-   materieel; stoffelĳk
+   materieel; stoffelijk
    grondstof; materiaal; materieel
    stof; weefsel
 
@@ -11927,7 +11935,7 @@
 
 materialize
 materialize [mətiəriəlaiz]
-   materialiseren; verstoffelĳken
+   materialiseren; verstoffelijken
 
 _____
 
@@ -11987,13 +11995,13 @@
 
 matrimony
 matrimony [meitriməniː]
-   echt; echtverbintenis; huwelĳk; huwelĳkse staat
+   echt; echtverbintenis; huwelijk; huwelijkse staat
 
 _____
 
 matrix
 matrix [meitriks]
-   gietvorm; matrĳs; matrix
+   gietvorm; matrijs; matrix
 
 _____
 
@@ -12020,7 +12028,7 @@
 
 mature
 mature [mətjeər]
-   belegen; bezonken; rĳp
+   belegen; bezonken; rijp
 
 _____
 
@@ -12058,13 +12066,13 @@
 
 maybe
 maybe [meiib]
-   misschien; mogelĳk; mogelĳkerwĳs; soms; wellicht
+   misschien; mogelijk; mogelijkerwijs; soms; wellicht
 
 _____
 
 mayhap
 mayhap [meiieip]
-   misschien; mogelĳk; mogelĳkerwĳs; soms; wellicht
+   misschien; mogelijk; mogelijkerwijs; soms; wellicht
 
 _____
 
@@ -12077,8 +12085,8 @@
 
 me
 me [m]
-   aan me; aan mĳ; me; mĳ; naar me; naar mĳ
-   me; mĳ
+   aan me; aan mij; me; mij; naar me; naar mij
+   me; mij
 
 _____
 
@@ -12106,7 +12114,7 @@
 meal [miːl]
    bloem; meel
    gort; griesmeel; grut; grutten
-   eten; maal; maaltĳd
+   eten; maal; maaltijd
 
 _____
 
@@ -12119,7 +12127,7 @@
 mean
 mean [miːn]
    gemiddeld
-   van plan zĳn; voorhebben; voornemens zĳn; zich voorstellen
+   van plan zijn; voorhebben; voornemens zijn; zich voorstellen
    doorsnee; gemiddeld; middelbaar; midden‐
    gemiddeld
    middelmaat; midden
@@ -12227,7 +12235,7 @@
 
 mechanical
 mechanical [mikænikl]
-   mechanisch; werktuiglĳk
+   mechanisch; werktuiglijk
    mechanisch
 
 _____
@@ -12247,7 +12255,7 @@
 meddler
 meddler [medlər]
    bemoeial
-   bemoeial; toekĳker bĳ kaartspel
+   bemoeial; toekijker bij kaartspel
 
 _____
 
@@ -12287,7 +12295,7 @@
 
 medicine
 medicine [medsn]
-   artsenĳ; geneesmiddel; medicĳn
+   artsenij; geneesmiddel; medicijn
    geneeskunde
 
 _____
@@ -12330,7 +12338,7 @@
 
 meet
 meet [miːt]
-   bĳeenkomen; samenkomen; vergaderen
+   bijeenkomen; samenkomen; vergaderen
    elkaar ontmoeten
    afspreken
    aantreffen; ontmoeten; tegemoet treden; tegenkomen; treffen
@@ -12342,7 +12350,7 @@
 meeting
 meeting [miːtiŋ]
    vergadering; zitting
-   bĳeenkomst; meeting; samenkomst; vergadering
+   bijeenkomst; meeting; samenkomst; vergadering
    meeting
 
 _____
@@ -12398,7 +12406,7 @@
 
 melody
 melody [melədiː]
-   deun; deuntje; melodie; wĳs; wĳsje
+   deun; deuntje; melodie; wijs; wijsje
 
 _____
 
@@ -12426,7 +12434,7 @@
 member [membər]
    aanhanger; lid; lidmaat
    lid; lidmaat
-   aanhanger; lid; partĳganger; partĳlid
+   aanhanger; lid; partijganger; partijlid
 
 _____
 
@@ -12451,7 +12459,7 @@
 
 memorable
 memorable [memərəbl]
-   gedenkwaardig; heuglĳk
+   gedenkwaardig; heuglijk
 
 _____
 
@@ -12508,13 +12516,13 @@
 
 mental
 mental [mentl]
-   geestelĳk; mentaal
+   geestelijk; mentaal
 
 _____
 
 mentally deficient
 mentally deficient [mentɔːliːdifiʃənt]
-   achterlĳk
+   achterlijk
 
 _____
 
@@ -12529,7 +12537,7 @@
 menu [menjuː]
    kaart
    menu
-   menu; spĳskaart
+   menu; spijskaart
 
 _____
 
@@ -12581,7 +12589,7 @@
 
 merit
 merit [merit]
-   toekomen; verdienen; waard zĳn; waardig zĳn
+   toekomen; verdienen; waard zijn; waardig zijn
    verdienste
 
 _____
@@ -12601,7 +12609,7 @@
 merry
 merry [meriː]
    goedgehumeurd; goedgeluimd
-   lustig; monter; vrolĳk
+   lustig; monter; vrolijk
    jolig; luimig; opgewekt; welgemutst
 
 _____
@@ -12614,14 +12622,14 @@
 
 mess
 mess [mes]
-   brĳ; moes; pap
+   brij; moes; pap
 
 _____
 
 message
 message [mesidʒ]
    bericht; boodschap
-   bekendmaking; bericht; kennisgeving; mare; tĳding; verwittiging
+   bekendmaking; bericht; kennisgeving; mare; tijding; verwittiging
 
 _____
 
@@ -12697,7 +12705,7 @@
 
 method of preparation
 method of preparation [meθədɔfprepəreiʃən]
-   bereidingswĳze
+   bereidingswijze
 
 _____
 
@@ -12783,7 +12791,7 @@
 
 middleaged
 middle‐aged
-   van middelbare leeftĳd
+   van middelbare leeftijd
 
 _____
 
@@ -12796,7 +12804,7 @@
 
 middleclass
 middleclass [midliːklæs]
-   burgerlĳk
+   burgerlijk
 
 _____
 
@@ -12875,19 +12883,19 @@
 
 mile
 mile [mail]
-   mĳl
+   mijl
 
 _____
 
 milepost
 milepost [milipoust]
-   mĳlpaal
+   mijlpaal
 
 _____
 
 milestone
 milestone [mailstoun]
-   mĳlpaal
+   mijlpaal
 
 _____
 
@@ -12927,7 +12935,7 @@
 
 millenium
 millenium [mileniəm]
-   duizendjarig tĳdperk; millennium
+   duizendjarig tijdperk; millennium
 
 _____
 
@@ -12987,7 +12995,7 @@
 
 mince
 mince [mins]
-   fĳnhakken
+   fijnhakken
 
 _____
 
@@ -13001,33 +13009,33 @@
 mind [maind]
    geest; intellect; verstand
    geest; verstand
-   gadeslaan; observeren; toekĳken; toezien; waarnemen
+   gadeslaan; observeren; toekijken; toezien; waarnemen
 
 _____
 
 mine
 mine [main]
-   de mĳne; het mĳne
-   mĳn; mĳngang
-   mĳn
+   de mijne; het mijne
+   mijn; mijngang
+   mijn
 
 _____
 
 minefield
 minefield [mainfiːld]
-   mĳnenveld
+   mijnenveld
 
 _____
 
 minelayer
 minelayer [mainleiər]
-   mĳnenlegger
+   mijnenlegger
 
 _____
 
 miner
 miner [minər]
-   mĳnwerker
+   mijnwerker
 
 _____
 
@@ -13040,7 +13048,7 @@
 
 mine sweeper
 mine sweeper [mainswiːpər]
-   mĳnenveger
+   mijnenveger
 
 _____
 
@@ -13060,13 +13068,13 @@
 
 miningengineer
 mining‐engineer
-   mĳningenieur
+   mijningenieur
 
 _____
 
 mining
 mining [mainiŋ]
-   mĳnbouw
+   mijnbouw
 
 _____
 
@@ -13147,7 +13155,7 @@
 
 miraculous
 miraculous [mirækjuləs]
-   miraculeus; wonderbaar; wonderbaarlĳk; wonderdadig; wonderdoend
+   miraculeus; wonderbaar; wonderbaarlijk; wonderdadig; wonderdoend
 
 _____
 
@@ -13178,7 +13186,7 @@
 
 miscarry
 miscarry [miskæriː]
-   een miskraam krĳgen; ontĳdig bevallen
+   een miskraam krijgen; ontijdig bevallen
    falen; misgaan; mislukken; sjezen; stralen; stranden; zakken
 
 _____
@@ -13192,7 +13200,7 @@
 
 mischievous
 mischievous [mistʃivəs]
-   boosaardig; hatelĳk; kwaadaardig; snood; te kwader trouw; vals
+   boosaardig; hatelijk; kwaadaardig; snood; te kwader trouw; vals
    dartel; guitig; schelmachtig; snaaks
 
 _____
@@ -13205,15 +13213,15 @@
 
 miserable
 miserable [mizrəbl]
-   jammerlĳk
+   jammerlijk
    catastrofaal; rampzalig
-   beklagenswaardig; erbarmelĳk; zielig
-   beroerd; kwaad; kwalĳk; slecht; verkeerd
+   beklagenswaardig; erbarmelijk; zielig
+   beroerd; kwaad; kwalijk; slecht; verkeerd
    onzalig
    mistroostig; naargeestig; somber; triestig
-   arm; armelĳk; armoedig
+   arm; armelijk; armoedig
    droef; bedroefd; droevig; treurig; verdrietig
-   bedroevend; droef; smartelĳk; treurig
+   bedroevend; droef; smartelijk; treurig
    10.belabberd; ellendig; miserabel; schamel; schunnig; stumperig
    11.behoeftig; berooid; nooddruftig
 
@@ -13245,19 +13253,19 @@
 
 misfeasance
 misfeasance [misfezns]
-   ambtsmisdrĳf
+   ambtsmisdrijf
 
 _____
 
 misleading
 misleading [misliːdiŋ]
-   bedrieglĳk; illusoir
+   bedrieglijk; illusoir
 
 _____
 
 miss
 miss [mis]
-   misgrĳpen; mislopen; missen
+   misgrijpen; mislopen; missen
    missen
 
 _____
@@ -13294,7 +13302,7 @@
 
 mistletoe
 mistletoe [misltou]
-   maretak; vogellĳm
+   maretak; vogellijm
 
 _____
 
@@ -13313,7 +13321,7 @@
 
 misunderstand
 misunderstand [misʌndəstænd]
-   misvatten; verkeerd begrĳpen
+   misvatten; verkeerd begrijpen
 
 _____
 
@@ -13325,19 +13333,19 @@
 
 mite
 mite [mait]
-   mĳt
+   mijt
 
 _____
 
 miter
 miter [maitər]
-   mĳter
+   mijter
 
 _____
 
 mitre
 mitre [maitər]
-   mĳter
+   mijter
 
 _____
 
@@ -13393,8 +13401,8 @@
 mock
 mock [mɔk]
    honen; spotten; bespotten
-   bespotten; zich vrolĳk maken over
-   bespotten; de spot drĳven met; voor de zot houden
+   bespotten; zich vrolijk maken over
+   bespotten; de spot drijven met; voor de zot houden
 
 _____
 
@@ -13402,14 +13410,14 @@
 mockery [mɔkəriː]
    bespotting; persiflage
    aanfluiting
-   aanfluiting; persiflage; spot; spotternĳ
+   aanfluiting; persiflage; spot; spotternij
 
 _____
 
 mode
 mode [moud]
-   manier; trant; wĳze
-   mode; modus; wĳs
+   manier; trant; wijze
+   mode; modus; wijs
 
 _____
 
@@ -13431,7 +13439,7 @@
 
 moderate
 moderate [mɔdərət]
-   bescheiden; matig; gematigd; schappelĳk; sober
+   bescheiden; matig; gematigd; schappelijk; sober
    matigen; opvangen; temperen
 
 _____
@@ -13444,7 +13452,7 @@
 
 modern
 modern [mɔdn]
-   bĳdetĳds; modern; nieuwerwets
+   bijdetijds; modern; nieuwerwets
 
 _____
 
@@ -13468,7 +13476,7 @@
 
 modesty
 modesty [mɔdistiː]
-   bescheidenheid; discretie; stilzwĳgen; stilzwĳgendheid
+   bescheidenheid; discretie; stilzwijgen; stilzwijgendheid
    bescheidenheid; discretie; zedigheid
    bescheidenheid
    ingetogenheid; kuisheid
@@ -13477,7 +13485,7 @@
 
 modify
 modify [mɔdifai]
-   modificeren; wĳzigen
+   modificeren; wijzigen
 
 _____
 
@@ -13529,13 +13537,13 @@
 
 moment
 moment [moumənt]
-   moment; ogenblik; oogwenk; tel; tĳdstip; wĳl; wip
+   moment; ogenblik; oogwenk; tel; tijdstip; wijl; wip
 
 _____
 
 momentarily
 momentarily [məmentəriliː]
-   even; eventjes; korte tĳd
+   even; eventjes; korte tijd
    elk ogenblik; elk moment
 
 _____
@@ -13726,7 +13734,7 @@
 
 monstrous
 monstrous [mɔnstrəs]
-   gedrochtelĳk; monsterachtig; monsterlĳk
+   gedrochtelijk; monsterachtig; monsterlijk
 
 _____
 
@@ -13744,8 +13752,8 @@
 
 monthly
 monthly [mʌnθliː]
-   maand‐; maandelĳks
-   maandelĳks
+   maand‐; maandelijks
+   maandelijks
 
 _____
 
@@ -13834,7 +13842,7 @@
 
 moral
 moral [mɔrəl]
-   moreel; zedelĳk; zedenkundig
+   moreel; zedelijk; zedenkundig
    moraal; strekking
    moraal; zedenles
 
@@ -13848,7 +13856,7 @@
 
 morality
 morality [mərælitiː]
-   moraliteit; zedelĳkheid
+   moraliteit; zedelijkheid
    deugd
 
 _____
@@ -13894,8 +13902,8 @@
 moreover
 moreover [mɔːriːouvər]
    overigens; trouwens; verder; voor de rest
-   bovendien; buitendien; daarbĳ; verder
-   bovendien; buitendien; daarbĳ
+   bovendien; buitendien; daarbij; verder
+   bovendien; buitendien; daarbij
    bovendien; daarenboven; verder; voorts
 
 _____
@@ -13962,7 +13970,7 @@
 
 morose
 morose [mərous]
-   aalwaardig; aalwarig; gemelĳk; verdrietig
+   aalwaardig; aalwarig; gemelijk; verdrietig
 
 _____
 
@@ -14011,13 +14019,13 @@
 
 mortal
 mortal [mɔːtl]
-   sterfelĳk
+   sterfelijk
 
 _____
 
 mortar
 mortar [mɔːtər]
-   mortier; vĳzel
+   mortier; vijzel
 
 _____
 
@@ -14053,7 +14061,7 @@
 
 moselle
 moselle [mouzel]
-   Moezelwĳn
+   Moezelwijn
 
 _____
 
@@ -14133,7 +14141,7 @@
 
 most important
 most important [moustimpɔːtnt]
-   belangrĳkste; voornaamste
+   belangrijkste; voornaamste
 
 _____
 
@@ -14195,7 +14203,7 @@
 
 motionless
 motionless [mouʃənləs]
-   bewegingloos; onbeweeglĳk; roerloos; stationair; stil
+   bewegingloos; onbeweeglijk; roerloos; stationair; stil
 
 _____
 
@@ -14214,7 +14222,7 @@
 motive
 motive [moutiv]
    aanleiding
-   beweegreden; drĳfveer; motief; term
+   beweegreden; drijfveer; motief; term
 
 _____
 
@@ -14232,7 +14240,7 @@
 
 motorcyclist
 motor‐cyclist
-   motorrĳder
+   motorrijder
 
 _____
 
@@ -14303,13 +14311,13 @@
 
 motor vehicle
 motor vehicle [moutərviːikl]
-   motorrĳtuig; motorvoertuig
+   motorrijtuig; motorvoertuig
 
 _____
 
 motto
 motto [mɔtou]
-   devies; leus; leuze; lĳfspreuk; wapenspreuk; zinspreuk
+   devies; leus; leuze; lijfspreuk; wapenspreuk; zinspreuk
    devies; motto
 
 _____
@@ -14351,13 +14359,13 @@
 
 mountainash
 mountain‐ash
-   lĳsterbes; lĳsterbessestruik
+   lijsterbes; lijsterbessestruik
 
 _____
 
 mountainash berry
 mountain‐ash berry
-   lĳsterbes
+   lijsterbes
 
 _____
 
@@ -14550,9 +14558,9 @@
 
 move
 move [muːv]
-   aangrĳpen; bewegen; ontroeren
-   opzĳ schuiven; verschuiven; wegschuiven
-   aandoen; aangrĳpen; bewegen; ontroeren; treffen
+   aangrijpen; bewegen; ontroeren
+   opzij schuiven; verschuiven; wegschuiven
+   aandoen; aangrijpen; bewegen; ontroeren; treffen
    bewegen; verroeren
    bewegen; zich bewegen; zich verroeren
    omzetten; overbrengen; overplaatsen; verleggen; verplaatsen
@@ -14584,8 +14592,8 @@
 
 moving
 moving [muːviŋ]
-   aangrĳpend; emotioneel; roerend; ontroerend
-   aandoenlĳk; roerend; ontroerend; treffend
+   aangrijpend; emotioneel; roerend; ontroerend
+   aandoenlijk; roerend; ontroerend; treffend
 
 _____
 
@@ -14621,13 +14629,13 @@
 
 mucous
 mucous [mjuːkəs]
-   slĳmerig; snotterig
+   slijmerig; snotterig
 
 _____
 
 mucus
 mucus [mjuːkəs]
-   slĳm
+   slijm
 
 _____
 
@@ -14639,7 +14647,7 @@
 
 mud
 mud [mʌd]
-   drek; modder; slĳk; slik
+   drek; modder; slijk; slik
 
 _____
 
@@ -14651,7 +14659,7 @@
 
 mudguard
 mudguard [mʌdgɑːd]
-   slĳkbord; spatbord; spatscherm
+   slijkbord; spatbord; spatscherm
 
 _____
 
@@ -14689,7 +14697,7 @@
 
 muleteer
 muleteer [mjuːlətiər]
-   muildierdrĳver
+   muildierdrijver
 
 _____
 
@@ -14822,7 +14830,7 @@
 
 muscatel
 muscatel [mʌskətel]
-   muskaatwĳn
+   muskaatwijn
 
 _____
 
@@ -14846,7 +14854,7 @@
 
 muser
 muser [mjuːzər]
-   dromer; mĳmeraar
+   dromer; mijmeraar
 
 _____
 
@@ -14858,7 +14866,7 @@
 
 mush
 mush [mʌʃ]
-   brĳ; moes; pap
+   brij; moes; pap
 
 _____
 
@@ -14947,7 +14955,7 @@
 
 musical instruction
 musical instruction [mjuːziklinstrʌkʃən]
-   muziekonderwĳs
+   muziekonderwijs
 
 _____
 
@@ -15129,7 +15137,7 @@
 
 mutiny
 mutiny [mjuːtiniː]
-   muiterĳ; onlusten; opstand
+   muiterij; onlusten; opstand
 
 _____
 
@@ -15147,7 +15155,7 @@
 
 mutual
 mutual [mjuːtʃeəl]
-   onderling; wederkerig; wederzĳds
+   onderling; wederkerig; wederzijds
 
 _____
 
@@ -15159,7 +15167,7 @@
 
 mutual understanding
 mutual understanding [mjuːtʃeəlʌndəstændiŋ]
-   stilzwĳgende overeenkomst
+   stilzwijgende overeenkomst
 
 _____
 
@@ -15174,8 +15182,8 @@
 
 my
 my [miː]
-   m'n; mĳn
-   mĳn; m'n
+   m'n; mijn
+   mijn; m'n
 
 _____
 
@@ -15193,7 +15201,7 @@
 
 myself
 myself [maiself]
-   mezelf; mĳzelf
+   mezelf; mijzelf
 
 _____
 
@@ -15236,7 +15244,7 @@
 
 mystification
 mystification [mistifikeiʃən]
-   bedotterĳ; fopperĳ; mystificatie
+   bedotterij; fopperij; mystificatie
 
 _____
 
@@ -15314,7 +15322,7 @@
 
 nailfile
 nail‐file
-   nagelvĳltje
+   nagelvijltje
 
 _____
 
@@ -15332,8 +15340,8 @@
 
 nail
 nail [neil]
-   nagelen; spĳkeren
-   nagel; draadnagel; spĳker
+   nagelen; spijkeren
+   nagel; draadnagel; spijker
    nagel
 
 _____
@@ -15388,7 +15396,7 @@
 
 namely
 namely [neimliː]
-   in naam; namelĳk; te weten
+   in naam; namelijk; te weten
 
 _____
 
@@ -15493,14 +15501,14 @@
    afkeer inboezemend; antipathiek
    gemeen; onguur; ploertig; rottig; vuig
    schurkachtig
-   akelig; naar; onaangenaam; verdrietelĳk; vervelend
+   akelig; naar; onaangenaam; verdrietelijk; vervelend
    akelig; naar; onaangenaam
-   lelĳk
-   afzichtelĳk; foeilelĳk
-   beroerd; kwaad; kwalĳk; slecht; verkeerd
-   oneerlĳk
-   10.boosaardig; hatelĳk; kwaadaardig; snood; te kwader trouw; vals
-   11.gemeen; immoreel; onzedelĳk; zedeloos; zedenkwetsend
+   lelijk
+   afzichtelijk; foeilelijk
+   beroerd; kwaad; kwalijk; slecht; verkeerd
+   oneerlijk
+   10.boosaardig; hatelijk; kwaadaardig; snood; te kwader trouw; vals
+   11.gemeen; immoreel; onzedelijk; zedeloos; zedenkwetsend
    12.gemeen; infaam; laag; laaghartig; schunnig; vuig
    13.onaangenaam; onplezierig
 
@@ -15540,7 +15548,7 @@
 native
 native [neitiv]
    autochtoon
-   autochtoon; oorspronkelĳke bewoner
+   autochtoon; oorspronkelijke bewoner
    autochtoon; oerbewoner
    aangeboren; ingeboren
    inheems; inlands
@@ -15551,13 +15559,13 @@
 
 natural
 natural [nætʃrəl]
-   natuurlĳk
+   natuurlijk
 
 _____
 
 naturally
 naturally [nætʃræliː]
-   natuurlĳk; uiteraard; van nature
+   natuurlijk; uiteraard; van nature
 
 _____
 
@@ -15595,7 +15603,7 @@
 
 nausea
 nausea [nɔːsiə]
-   afkeer; misselĳkheid; walg; walging; weeheid; weerzin
+   afkeer; misselijkheid; walg; walging; weeheid; weerzin
 
 _____
 
@@ -15607,7 +15615,7 @@
 
 nauseous
 nauseous [nɔːsiəs]
-   misselĳk; onsmakelĳk; stuitend; walgelĳk; weerzinwekkend
+   misselijk; onsmakelijk; stuitend; walgelijk; weerzinwekkend
 
 _____
 
@@ -15670,33 +15678,33 @@
 
 nearsighted
 near‐sighted
-   bĳziend; kippig; kortzichtig
+   bijziend; kippig; kortzichtig
 
 _____
 
 near
 near [niər]
-   aan; bĳ; dichtbĳ; naast; nabĳ
+   aan; bij; dichtbij; naast; nabij
    aanstaand; eerstvolgend; komend
-   dichtbĳ; nabĳ
-   dichtbĳ; in de buurt van; nabĳ
+   dichtbij; nabij
+   dichtbij; in de buurt van; nabij
 
 _____
 
 nearby
 nearby [niəbiː]
-   aan; bĳ; dichtbĳ; naast; nabĳ
-   daarnaast; ernaast; hiernaast; in de nabĳheid
+   aan; bij; dichtbij; naast; nabij
+   daarnaast; ernaast; hiernaast; in de nabijheid
    aangrenzend; aanliggend; naburig
    aanstaand; eerstvolgend; komend
-   dichtbĳ; nabĳ
+   dichtbij; nabij
 
 _____
 
 nearer
 nearer [niərər]
    nader
-   naderbĳ
+   naderbij
 
 _____
 
@@ -15708,25 +15716,25 @@
 
 nearly
 nearly [niːliː]
-   bĳna; bĳkans; haast; schier; vrĳwel; welhaast; zo goed als; zowat
+   bijna; bijkans; haast; schier; vrijwel; welhaast; zo goed als; zowat
 
 _____
 
 nearness
 nearness [niənəs]
-   nabĳheid
+   nabijheid
 
 _____
 
 near to
 near to [niərtou]
-   aan; bĳ; dichtbĳ; naast; nabĳ
+   aan; bij; dichtbij; naast; nabij
 
 _____
 
 neat
 neat [niːt]
-   duidelĳk; knap; net; verzorgd
+   duidelijk; knap; net; verzorgd
 
 _____
 
@@ -15740,13 +15748,13 @@
 necessary [nesəsəriː]
    nodig; benodigd
    nodig; benodigd; van node
-   nodig; benodigd; noodzakelĳk
+   nodig; benodigd; noodzakelijk
 
 _____
 
 necessity
 necessity [nisesitiː]
-   noodzaak; noodzakelĳkheid
+   noodzaak; noodzakelijkheid
 
 _____
 
@@ -15786,7 +15794,7 @@
 needle
 needle [niːdl]
    naald
-   naald; kompasnaald; wĳzer
+   naald; kompasnaald; wijzer
    naald; speld
 
 _____
@@ -15869,7 +15877,7 @@
 
 negotiate
 negotiate [nigouʃieit]
-   handeldrĳven; handelen; zaken doen
+   handeldrijven; handelen; zaken doen
 
 _____
 
@@ -15894,11 +15902,11 @@
 
 neighbourhood
 neighbourhood [neibəhud]
-   nabĳheid
-   buurt; wĳk; stadswĳk
-   buurt; nabĳheid
+   nabijheid
+   buurt; wijk; stadswijk
+   buurt; nabijheid
    nabuurschap
-   buurt; nabĳheid
+   buurt; nabijheid
 
 _____
 
@@ -16012,7 +16020,7 @@
 
 neutral
 neutral [njuːtrəl]
-   afzĳdig; neutraal; onpartĳdig
+   afzijdig; neutraal; onpartijdig
 
 _____
 
@@ -16083,8 +16091,8 @@
 
 next to
 next to [neksttou]
-   aan; bĳ; dichtbĳ; naast; nabĳ
-   behalve; bezĳden; naast
+   aan; bij; dichtbij; naast; nabij
+   behalve; bezijden; naast
 
 _____
 
@@ -16103,11 +16111,11 @@
 
 nice
 nice [nais]
-   aangenaam; behaaglĳk; genoeglĳk; heerlĳk; plezierig
-   aardig; beminnelĳk; lief; vriendelĳk
+   aangenaam; behaaglijk; genoeglijk; heerlijk; plezierig
+   aardig; beminnelijk; lief; vriendelijk
    goed; okee
    aardig; leuk
-   fĳn; lekker; smakelĳk; van goede smaak getuigend
+   fijn; lekker; smakelijk; van goede smaak getuigend
 
 _____
 
@@ -16119,7 +16127,7 @@
 
 nice smell
 nice smell [naissmel]
-   heerlĳke geur
+   heerlijke geur
 
 _____
 
@@ -16137,7 +16145,7 @@
 
 nickname
 nickname [nikneim]
-   bĳnaam
+   bijnaam
 
 _____
 
@@ -16490,7 +16498,7 @@
 
 nocturnal
 nocturnal [nɔktəːnl]
-   nachtelĳk
+   nachtelijk
 
 _____
 
@@ -16550,14 +16558,14 @@
 
 nomination
 nomination [nɔmineiʃən]
-   kandidatenlĳst; nominatie; voordracht
+   kandidatenlijst; nominatie; voordracht
    benoeming
 
 _____
 
 nonalcoholic
 non‐alcoholic
-   alcoholvrĳ
+   alcoholvrij
 
 _____
 
@@ -16575,7 +16583,7 @@
 
 nonmilitary
 non‐military
-   burgerlĳk; civiel
+   burgerlijk; civiel
 
 _____
 
@@ -16605,7 +16613,7 @@
 
 nonsense
 nonsense [nɔnsens]
-   absurditeit; onding; ongerĳmdheid; onzin
+   absurditeit; onding; ongerijmdheid; onzin
    gekheid; nonsens; onzin; zever; zottenklap; zottenpraat
 
 _____
@@ -16650,7 +16658,7 @@
 
 northern
 northern [nɔːðən]
-   noordelĳk; noords
+   noordelijk; noords
 
 _____
 
@@ -16705,9 +16713,9 @@
 
 note
 note [nout]
-   biljet; kaartje; plaatsbewĳs; plaatskaartje
+   biljet; kaartje; plaatsbewijs; plaatskaartje
    aantekening; commentaar; tekstverklaring
-   aantekenen; noteren; opschrĳven; teboekstellen
+   aantekenen; noteren; opschrijven; teboekstellen
    aantekening; nota; notitie
 
 _____
@@ -16727,7 +16735,7 @@
 
 noteworthy
 noteworthy [noutwəːðiː]
-   merkwaardig; opmerkelĳk
+   merkwaardig; opmerkelijk
 
 _____
 
@@ -16751,7 +16759,7 @@
    gewaar worden; merken; bemerken; vernemen; waarnemen
    merken; bemerken; opmerken
    opmerking
-   bekendmaking; bericht; kennisgeving; mare; tĳding; verwittiging
+   bekendmaking; bericht; kennisgeving; mare; tijding; verwittiging
 
 _____
 
@@ -16765,7 +16773,7 @@
 notify
 notify [noutifai]
    aankondigen; adviseren; bekendmaken
-   aanschrĳven
+   aanschrijven
 
 _____
 
@@ -16779,7 +16787,7 @@
 
 notwithstanding
 notwithstanding [nɔtwiðstændiŋ]
-   in weerwil van; niettegenstaande; ondanks; ten spĳte van; trots
+   in weerwil van; niettegenstaande; ondanks; ten spijte van; trots
 
 _____
 
@@ -16791,14 +16799,14 @@
 
 not at all
 not at all [nouteitl]
-   geenszins; in geen geval; op geen enkele wĳze
+   geenszins; in geen geval; op geen enkele wijze
    allesbehalve; helemaal niet; op geen stukken na
 
 _____
 
 not easily
 not easily [noutiːziliː]
-   lastig; moeilĳk; zwaar
+   lastig; moeilijk; zwaar
 
 _____
 
@@ -16810,7 +16818,7 @@
 
 not on any account
 not on any account [noutwʌnæniːəkaunt]
-   geenszins; in geen geval; op geen enkele wĳze
+   geenszins; in geen geval; op geen enkele wijze
 
 _____
 
@@ -16823,7 +16831,7 @@
 not well
 not well [noutwel]
    niet lekker; onwel
-   niet lekker; ongesteld; onwel; van streek; ziekelĳk
+   niet lekker; ongesteld; onwel; van streek; ziekelijk
 
 _____
 
@@ -16873,7 +16881,7 @@
 
 novelist
 novelist [nɔvəlist]
-   romanschrĳver
+   romanschrijver
 
 _____
 
@@ -16910,7 +16918,7 @@
 
 now and then
 now and then [nauændθən]
-   af en toe; bĳ tĳd en wĳlen; bĳ wĳlen; nu en dan; van tĳd tot tĳd
+   af en toe; bij tijd en wijlen; bij wijlen; nu en dan; van tijd tot tijd
 
 _____
 
@@ -16922,7 +16930,7 @@
 
 no doubt
 no doubt [noudaut]
-   bepaald; ongetwĳfeld; zeker
+   bepaald; ongetwijfeld; zeker
 
 _____
 
@@ -16973,7 +16981,7 @@
 
 nudism
 nudism [njuːdizəm]
-   naaktlopen; naaktloperĳ; nudisme
+   naaktlopen; naaktloperij; nudisme
 
 _____
 
@@ -17035,7 +17043,7 @@
 
 numeral
 numeral [njuːmərəl]
-   cĳfer; nummer
+   cijfer; nummer
    item; numero; nummer
 
 _____
@@ -17191,7 +17199,7 @@
 
 obeisance
 obeisance [oubeisns]
-   buiging; nĳging; revérence; strĳkage
+   buiging; nijging; revérence; strijkage
 
 _____
 
@@ -17209,7 +17217,7 @@
 
 object
 object [əbdʒekt]
-   ding; mikpunt; object; onderwerp; voorwerp; lĳdend voorwerp
+   ding; mikpunt; object; onderwerp; voorwerp; lijdend voorwerp
 
 _____
 
@@ -17221,7 +17229,7 @@
 
 objectionable
 objectionable [əbdʒekʃənəbl]
-   afkeurenswaardig; laakbaar; verwerpelĳk
+   afkeurenswaardig; laakbaar; verwerpelijk
 
 _____
 
@@ -17233,8 +17241,8 @@
 
 obliging
 obliging [əblaidʒiŋ]
-   bereidvaardig; bereidwillig; schikkelĳk; voorkomend; welwillend
-   attent; bereidwillig; toeschietelĳk
+   bereidvaardig; bereidwillig; schikkelijk; voorkomend; welwillend
+   attent; bereidwillig; toeschietelijk
    bereidvaardig; dienstwillig
 
 _____
@@ -17266,7 +17274,7 @@
 
 observation
 observation [ɔbzəveiʃən]
-   aanmerking; berisping; blaam; standje; terechtwĳzing
+   aanmerking; berisping; blaam; standje; terechtwijzing
    opmerking; waarneming
    opmerking
    aanmerking
@@ -17276,7 +17284,7 @@
 observe
 observe [əbzəːv]
    handelen volgens; opvolgen
-   gadeslaan; observeren; toekĳken; toezien; waarnemen
+   gadeslaan; observeren; toekijken; toezien; waarnemen
    nakomen; naleven; uitvoeren; verrichten; vervullen; voltrekken
 
 _____
@@ -17310,7 +17318,7 @@
 obstinate
 obstinate [əbstineit]
    balsturig
-   halsstarrig; hardnekkig; koppig; stĳfhoofdig; verbeten; verstokt
+   halsstarrig; hardnekkig; koppig; stijfhoofdig; verbeten; verstokt
 
 _____
 
@@ -17329,13 +17337,13 @@
 
 obtain
 obtain [əbtein]
-   buit maken; behalen; verkrĳgen; verwerven
+   buit maken; behalen; verkrijgen; verwerven
 
 _____
 
 obtainable
 obtainable [əbteinəbl]
-   verkrĳgbaar
+   verkrijgbaar
 
 _____
 
@@ -17348,13 +17356,13 @@
 
 obvious
 obvious [ɔbviəs]
-   apert; duidelĳk; evident; kennelĳk; klaarblĳkelĳk; uitgesproken
+   apert; duidelijk; evident; kennelijk; klaarblijkelijk; uitgesproken
 
 _____
 
 obviously
 obviously [ɔbviəzliː]
-   blĳkbaar; duidelĳk; klaarblĳkelĳk
+   blijkbaar; duidelijk; klaarblijkelijk
 
 _____
 
@@ -17407,7 +17415,7 @@
 
 occur
 occur [əkəːr]
-   aan de hand zĳn; gebeuren; geschieden; voorkomen; voorvallen
+   aan de hand zijn; gebeuren; geschieden; voorkomen; voorvallen
 
 _____
 
@@ -17476,7 +17484,7 @@
 odd [ɔdd]
    bizar
    oneven
-   eigenaardig; gek; raar; vreemd; vreemdsoortig; wonderlĳk
+   eigenaardig; gek; raar; vreemd; vreemdsoortig; wonderlijk
 
 _____
 
@@ -17526,7 +17534,7 @@
 offend
 offend [əfend]
    affronteren; beledigen; krenken
-   beledigen; grieven; krenken; verongelĳken
+   beledigen; grieven; krenken; verongelijken
 
 _____
 
@@ -17539,7 +17547,7 @@
 offensive
 offensive [əfensiv]
    aanvallend; offensief
-   beledigend; smadelĳk
+   beledigend; smadelijk
    aanvallend; offensief
    stotend
 
@@ -17547,7 +17555,7 @@
 
 offer
 offer [ɔfər]
-   aanzoek; huwelĳksaanzoek
+   aanzoek; huwelijksaanzoek
    aanbieden; te koop aanbieden
    aanbieding; aanbod; offerte
    aanbieden; indienen; offreren; presenteren; voorstellen
@@ -17566,13 +17574,13 @@
 
 offer of marriage
 offer of marriage [ɔfərɔfmæridʒ]
-   aanzoek; huwelĳksaanzoek
+   aanzoek; huwelijksaanzoek
 
 _____
 
 offer of parriage
 offer of parriage [ɔfərɔfpæridʒ]
-   aanzoek; huwelĳksaanzoek
+   aanzoek; huwelijksaanzoek
 
 _____
 
@@ -17593,15 +17601,15 @@
 
 official
 official [əfiʃl]
-   ambtelĳk
-   ambtelĳk; officieel
+   ambtelijk
+   ambtelijk; officieel
    ambtenaar; beambte; kantoorbediende
 
 _____
 
 officialdom
 officialdom [əfiʃldəm]
-   ambtenarĳ; bureaucratie
+   ambtenarij; bureaucratie
 
 _____
 
@@ -17647,7 +17655,7 @@
 
 often
 often [ɔfn]
-   dikwĳls; gedurig; menigmaal; vaak; veel; veelal; veeltĳds
+   dikwijls; gedurig; menigmaal; vaak; veel; veelal; veeltijds
 
 _____
 
@@ -17714,7 +17722,7 @@
 
 of a bird
 of a bird [ɔfəbəːd]
-   grootvaderlĳk
+   grootvaderlijk
 
 _____
 
@@ -17756,7 +17764,7 @@
 
 of a pig
 of a pig [ɔfəpig]
-   varkens‐; zwĳnen‐
+   varkens‐; zwijnen‐
 
 _____
 
@@ -17780,19 +17788,19 @@
 
 of a wild boar
 of a wild boar [ɔfəwaildbɔːr]
-   zwĳnen‐
+   zwijnen‐
 
 _____
 
 of course
 of course [ɔfkɔːs]
-   begrĳpelĳkerwĳs; dat spreekt vanzelf; natuurlĳk
+   begrijpelijkerwijs; dat spreekt vanzelf; natuurlijk
 
 _____
 
 of fantasy
 of fantasy [ɔffæntəsiː]
-   fantasierĳk; fantastisch; grillig
+   fantasierijk; fantastisch; grillig
 
 _____
 
@@ -17804,7 +17812,7 @@
 
 of high stature
 of high stature [ɔfhaistætʃər]
-   groot; lang; rĳzig
+   groot; lang; rijzig
 
 _____
 
@@ -17822,13 +17830,13 @@
 
 of long standing
 of long standing [ɔflɔŋstændiŋ]
-   lang; lange tĳd; voor lange tĳd
+   lang; lange tijd; voor lange tijd
 
 _____
 
 of noble birth
 of noble birth [ɔfnoublbəːθ]
-   adellĳk; edel
+   adellijk; edel
 
 _____
 
@@ -17852,7 +17860,7 @@
 
 of silk
 of silk [ɔfsilk]
-   zĳden
+   zijden
 
 _____
 
@@ -17870,7 +17878,7 @@
 
 of the body
 of the body [ɔfðboudiː]
-   lichamelĳk; lĳfelĳk
+   lichamelijk; lijfelijk
 
 _____
 
@@ -17882,7 +17890,7 @@
 
 of the same age
 of the same age [ɔfðseimeidʒ]
-   even oud; van dezelfde leeftĳd
+   even oud; van dezelfde leeftijd
 
 _____
 
@@ -17986,7 +17994,7 @@
 
 oil of olives
 oil of olives [ɔilɔfəlivz]
-   olĳfolie
+   olijfolie
 
 _____
 
@@ -18008,7 +18016,7 @@
 
 oldfashioned
 old‐fashioned
-   gedateerd; ouderwets; uit de mode; uit de tĳd; verouderd
+   gedateerd; ouderwets; uit de mode; uit de tijd; verouderd
 
 _____
 
@@ -18059,19 +18067,19 @@
 
 oliveoil
 olive‐oil
-   olĳfolie
+   olijfolie
 
 _____
 
 olivetree
 olive‐tree
-   olĳfboom
+   olijfboom
 
 _____
 
 olive
 olive [ɔliv]
-   olĳf
+   olijf
 
 _____
 
@@ -18202,7 +18210,7 @@
 onerous
 onerous [ɔnərəs]
    drukkend; zwaar
-   benauwend; drukkend; nĳpend
+   benauwend; drukkend; nijpend
 
 _____
 
@@ -18220,7 +18228,7 @@
 
 one at a time
 one at a time [wʌneitətaim]
-   alleen; in zĳn eentje; één per keer
+   alleen; in zijn eentje; één per keer
 
 _____
 
@@ -18281,7 +18289,7 @@
 
 only just
 only just [ounliːdʒʌst]
-   amper; kwalĳk; nauwelĳks; ternauwernood
+   amper; kwalijk; nauwelijks; ternauwernood
 
 _____
 
@@ -18318,7 +18326,7 @@
 
 on end
 on end [wʌnənd]
-   aaneen; achtereen; onophoudelĳk
+   aaneen; achtereen; onophoudelijk
    aaneen; aan één stuk door; in één ruk; ononderbroken
 
 _____
@@ -18338,7 +18346,7 @@
 on occasion
 on occasion [wʌnəkeiʒn]
    eens; op een keer
-   bĳ gelegenheid
+   bij gelegenheid
 
 _____
 
@@ -18382,13 +18390,13 @@
 
 on the occasion of
 on the occasion of [wʌnðəkeiʒnɔf]
-   bĳ gelegenheid van; in geval van
+   bij gelegenheid van; in geval van
 
 _____
 
 on the other hand
 on the other hand [wʌnðʌðərhænd]
-   aan de andere kant; anderzĳds; daar staat tegenover
+   aan de andere kant; anderzijds; daar staat tegenover
 
 _____
 
@@ -18406,7 +18414,7 @@
 
 on the right
 on the right [wʌnðrait]
-   aan de rechterkant; aan de rechterzĳde; rechts
+   aan de rechterkant; aan de rechterzijde; rechts
 
 _____
 
@@ -18463,7 +18471,7 @@
 
 openly
 openly [ɔpnliː]
-   open en bloot; ronduit; rondweg; vrĳuit
+   open en bloot; ronduit; rondweg; vrijuit
    in het openbaar
 
 _____
@@ -18476,7 +18484,7 @@
 
 open ones mouth wide
 open one's mouth wide [oupənwʌnzmauθwaid]
-   de mond wĳd opendoen
+   de mond wijd opendoen
 
 _____
 
@@ -18494,7 +18502,7 @@
 
 operate
 operate [ɔpəreit]
-   functioneren; het doen; in zĳn werk gaan; werken
+   functioneren; het doen; in zijn werk gaan; werken
    bedienen
    opereren
 
@@ -18533,13 +18541,13 @@
 
 opine
 opine [əpain]
-   achten; geloven; van mening zĳn; vinden
+   achten; geloven; van mening zijn; vinden
 
 _____
 
 opinion
 opinion [əpiniən]
-   dunk; gedachte; mening; opinie; visie; zienswĳze; zin
+   dunk; gedachte; mening; opinie; visie; zienswijze; zin
 
 _____
 
@@ -18563,7 +18571,7 @@
 
 opportune
 opportune [əpɔːtʃuːn]
-   doelmatig; gemakkelĳk; geschikt; gepast; passend
+   doelmatig; gemakkelijk; geschikt; gepast; passend
 
 _____
 
@@ -18597,20 +18605,20 @@
    aan de overkant van; tegenover
    jegens; met; tegen; tegenaan; tegenover; versus
    aan de overkant van; tegenover
-   tegengesteld; tegenliggend; tegenstaand; tegenstrĳdig
+   tegengesteld; tegenliggend; tegenstaand; tegenstrijdig
    aan de overkant
 
 _____
 
 opposite side
 opposite side [ɔpəzitsaid]
-   overkant; overzĳde
+   overkant; overzijde
 
 _____
 
 opposition
 opposition [ɔpəziʃən]
-   tegenstelling; tegenstrĳdigheid
+   tegenstelling; tegenstrijdigheid
    oppositie; tegenstand
 
 _____
@@ -18647,7 +18655,7 @@
 
 opprobrious
 opprobrious [əproubriəs]
-   beledigend; smadelĳk
+   beledigend; smadelijk
 
 _____
 
@@ -18762,7 +18770,7 @@
 
 oratory
 oratory [ɔrətriː]
-   rederĳkerskunst; retoriek
+   rederijkerskunst; retoriek
 
 _____
 
@@ -18827,7 +18835,7 @@
    aanvraag; bestelling; order
    decoratie; ereteken; orde; kloosterorde; ridderorde
    orde; rangorde
-   bevelen; gelasten; sommeren; verordenen; voorschrĳven
+   bevelen; gelasten; sommeren; verordenen; voorschrijven
    bevel; bevelschrift; gebod; order; sommatie; verordening
    aaneenschakeling; opeenvolging; volgorde
 
@@ -18841,7 +18849,7 @@
 
 ordinarily
 ordinarily [ɔːdinəriliː]
-   gewoonlĳk
+   gewoonlijk
    normaal gesproken; normaliter
 
 _____
@@ -18891,7 +18899,7 @@
 
 organize
 organize [ɔːgənaiz]
-   regelen; organiseren; uitschrĳven
+   regelen; organiseren; uitschrijven
 
 _____
 
@@ -18909,7 +18917,7 @@
 
 orgy
 orgy [ɔːdʒiː]
-   drinkgelag; orgie; zwelgerĳ; zwelgpartĳ
+   drinkgelag; orgie; zwelgerij; zwelgpartij
 
 _____
 
@@ -18927,22 +18935,22 @@
 
 original
 original [əridʒənl]
-   oorspronkelĳk; origineel
-   apart; oorspronkelĳk; origineel
+   oorspronkelijk; origineel
+   apart; oorspronkelijk; origineel
    origineel
 
 _____
 
 originally
 originally [əridʒənɑːliː]
-   oorspronkelĳk; van oorsprong
+   oorspronkelijk; van oorsprong
 
 _____
 
 originate
 originate [əridʒineit]
-   afstammen; het gevolg zĳn van; ontspruiten; voortkomen
-   afkomstig zĳn
+   afstammen; het gevolg zijn van; ontspruiten; voortkomen
+   afkomstig zijn
 
 _____
 
@@ -18976,7 +18984,7 @@
 
 orthography
 orthography [ɔːθɔgrəfiː]
-   orthografie; schrĳfwĳze; spelling
+   orthografie; schrijfwijze; spelling
 
 _____
 
@@ -19039,7 +19047,7 @@
    alias
    anders; op een andere manier
    daarentegen; ertegenover; integendeel
-   anderszins; op een andere manier; op een andere wĳze
+   anderszins; op een andere manier; op een andere wijze
 
 _____
 
@@ -19057,7 +19065,7 @@
 
 other than
 other than [ʌðərθein]
-   behalve; bĳ uitzondering; buiten; op ... na; uitgezonderd
+   behalve; bij uitzondering; buiten; op ... na; uitgezonderd
 
 _____
 
@@ -19093,14 +19101,14 @@
 
 out
 out [aut]
-   buiten; daarbuiten; uiterlĳk
+   buiten; daarbuiten; uiterlijk
    buitenwaarts; eruit; naar buiten; uitwaarts
 
 _____
 
 outer
 outer [autər]
-   buiten‐; extern; uiterlĳk; uitwendig
+   buiten‐; extern; uiterlijk; uitwendig
    buitenste
 
 _____
@@ -19144,7 +19152,7 @@
 
 outline
 outline [autlain]
-   omlĳning; omtrek
+   omlijning; omtrek
    schaduwbeeld; silhouet
    aanleg; krabbel; ontwerp; schets
 
@@ -19171,8 +19179,8 @@
 outside
 outside [autsid]
    buiten
-   buiten‐; extern; uiterlĳk; uitwendig
-   buiten; daarbuiten; uiterlĳk
+   buiten‐; extern; uiterlijk; uitwendig
+   buiten; daarbuiten; uiterlijk
    buitenwaarts; eruit; naar buiten; uitwaarts
 
 _____
@@ -19216,7 +19224,7 @@
 
 out of date
 out of date [autɔfdeit]
-   gedateerd; ouderwets; uit de mode; uit de tĳd; verouderd
+   gedateerd; ouderwets; uit de mode; uit de tijd; verouderd
 
 _____
 
@@ -19351,7 +19359,7 @@
 overhaul
 overhaul [ouvəhɔːl]
    inhalen
-   inhalen; passeren; voorbĳrĳden; voorbĳvaren
+   inhalen; passeren; voorbijrijden; voorbijvaren
 
 _____
 
@@ -19383,7 +19391,7 @@
 
 overpower
 overpower [ouvəpauər]
-   geweld aandoen; overmeesteren; sterker zĳn dan
+   geweld aandoen; overmeesteren; sterker zijn dan
    kraken; usurperen; overweldigen; zich meester maken van
 
 _____
@@ -19404,8 +19412,8 @@
 overtake
 overtake [ouvəteik]
    inhalen
-   overtrekken; passeren; voorbĳgaan; voorbĳstreven
-   inhalen; passeren; voorbĳrĳden; voorbĳvaren
+   overtrekken; passeren; voorbijgaan; voorbijstreven
+   inhalen; passeren; voorbijrijden; voorbijvaren
 
 _____
 
@@ -19419,7 +19427,7 @@
 
 overtone
 overtone [ouvətoun]
-   bĳtoon; boventoon
+   bijtoon; boventoon
 
 _____
 
@@ -19451,7 +19459,7 @@
 
 owe
 owe [ou]
-   in de schuld staan; schuldig zĳn; verschuldigd zĳn
+   in de schuld staan; schuldig zijn; verschuldigd zijn
 
 _____
 
@@ -19470,7 +19478,7 @@
 
 own
 own [oun]
-   bezitten; erop nahouden; rĳk zĳn
+   bezitten; erop nahouden; rijk zijn
    eigen
 
 _____
@@ -19520,7 +19528,7 @@
 pace
 pace [peis]
    afpassen
-   lopen; schrĳden; stappen; treden
+   lopen; schrijden; stappen; treden
    pas; schrede; stap; tred; voetstap
 
 _____
@@ -19586,7 +19594,7 @@
 
 paddyfield
 paddy‐field
-   rĳstveld
+   rijstveld
 
 _____
 
@@ -19618,7 +19626,7 @@
 page
 page [pædʒ]
    boer; edelknaap; page
-   bladzĳde
+   bladzijde
 
 _____
 
@@ -19642,13 +19650,13 @@
 
 pain
 pain [pein]
-   pĳn; wee; zeer
+   pijn; wee; zeer
 
 _____
 
 painful
 painful [peinfəl]
-   deerlĳk; pĳnlĳk; smartelĳk; zeer
+   deerlijk; pijnlijk; smartelijk; zeer
 
 _____
 
@@ -19682,7 +19690,7 @@
 
 painting
 painting [peintiŋ]
-   doek; schilderĳ; schildering; schilderstuk
+   doek; schilderij; schildering; schilderstuk
 
 _____
 
@@ -19694,7 +19702,7 @@
 
 pain in the throat
 pain in the throat [peininðθrout]
-   keelpĳn
+   keelpijn
 
 _____
 
@@ -19708,7 +19716,7 @@
 
 pair of pincers
 pair of pincers [pɛərɔfpinsəz]
-   nĳptang; tangstelling
+   nijptang; tangstelling
 
 _____
 
@@ -19852,7 +19860,7 @@
 pantry [pæntriː]
    provisiekast
    provisiekamer
-   magazĳn; provisiekamer; provisiekast; voorraadkamer
+   magazijn; provisiekamer; provisiekast; voorraadkamer
 
 _____
 
@@ -19940,14 +19948,14 @@
 parade [pəreid]
    appèl; samenscholing
    appèl; convocatie
-   paraderen; pralen; prĳken; pronken
-   corso; parade; pracht en praal; pralerĳ; vertoon
+   paraderen; pralen; prijken; pronken
+   corso; parade; pracht en praal; pralerij; vertoon
 
 _____
 
 paradise
 paradise [pærədais]
-   paradĳs
+   paradijs
 
 _____
 
@@ -19984,7 +19992,7 @@
 
 parallel
 parallel [pærəlel]
-   evenwĳdig; parallel
+   evenwijdig; parallel
 
 _____
 
@@ -20091,7 +20099,7 @@
 
 parental
 parental [pərentl]
-   ouderlĳk
+   ouderlijk
 
 _____
 
@@ -20226,8 +20234,8 @@
 
 partial
 partial [pɑːʃl]
-   gedeeltelĳk; partieel
-   eenzĳdig; partĳdig
+   gedeeltelijk; partieel
+   eenzijdig; partijdig
 
 _____
 
@@ -20258,14 +20266,14 @@
 
 particular
 particular [pətikjulər]
-   afgezonderd; afzonderlĳk; bĳzonder; los
-   bĳzonder; speciaal
+   afgezonderd; afzonderlijk; bijzonder; los
+   bijzonder; speciaal
 
 _____
 
 particularly
 particularly [pətikjuləliː]
-   in het bĳzonder; inzonderheid; speciaal; vooral
+   in het bijzonder; inzonderheid; speciaal; vooral
 
 _____
 
@@ -20289,7 +20297,7 @@
 
 partridge
 partridge [pɑːtridʒ]
-   patrĳs
+   patrijs
 
 _____
 
@@ -20303,8 +20311,8 @@
 party [pɑːtiː]
    aanhang; leden
    avondje
-   feest; festiviteit; fuif; partĳ
-   partĳ; stem
+   feest; festiviteit; fuif; partij
+   partij; stem
    aanhang; gevolg
 
 _____
@@ -20336,12 +20344,12 @@
 pass
 pass [pɑːs]
    inhalen
-   verlof; vrĳaf
+   verlof; vrijaf
    pas; bergpas
-   omkomen; overdrĳven; overgaan; vergaan; verlopen; verstrĳken
-   aangeven; aanreiken; doorbrengen; verdrĳven
-   langsgaan; passeren; voorbĳgaan; voorbĳlopen
-   inhalen; passeren; voorbĳrĳden; voorbĳvaren
+   omkomen; overdrijven; overgaan; vergaan; verlopen; verstrijken
+   aangeven; aanreiken; doorbrengen; verdrijven
+   langsgaan; passeren; voorbijgaan; voorbijlopen
+   inhalen; passeren; voorbijrijden; voorbijvaren
    aangeven; aanreiken; afdragen; overbrengen; overgeven; toereiken
 
 _____
@@ -20349,14 +20357,14 @@
 passable
 passable [pɑːsəbl]
    begaanbaar
-   berĳdbaar
+   berijdbaar
    begaanbaar
 
 _____
 
 passage
 passage [pæsidʒ]
-   baan; gang; overloop; rĳstrook
+   baan; gang; overloop; rijstrook
    doorgang; overgang; passage
    doorgang; passage
 
@@ -20382,7 +20390,7 @@
 
 passerby
 passer‐by
-   voorbĳganger
+   voorbijganger
 
 _____
 
@@ -20395,7 +20403,7 @@
 
 passionate
 passionate [pæʃəneit]
-   hartstochtelĳk
+   hartstochtelijk
 
 _____
 
@@ -20408,15 +20416,15 @@
 pass away
 pass away [pɑːsɔːwei]
    heengaan; inslapen; sterven
-   doodgaan; overlĳden; sterven; verscheiden; versmachten
+   doodgaan; overlijden; sterven; verscheiden; versmachten
 
 _____
 
 pass by
 pass by [pɑːsbiː]
-   omkomen; overdrĳven; overgaan; vergaan; verlopen; verstrĳken
-   langsgaan; passeren; voorbĳgaan; voorbĳlopen
-   overtrekken; passeren; voorbĳgaan; voorbĳstreven
+   omkomen; overdrijven; overgaan; vergaan; verlopen; verstrijken
+   langsgaan; passeren; voorbijgaan; voorbijlopen
+   overtrekken; passeren; voorbijgaan; voorbijstreven
 
 _____
 
@@ -20440,10 +20448,10 @@
 
 past
 past [pɑːst]
-   verleden; verleden tĳd
+   verleden; verleden tijd
    verleden
-   verder dan; voorbĳ
-   langs; voorbĳ
+   verder dan; voorbij
+   langs; voorbij
 
 _____
 
@@ -20456,7 +20464,7 @@
 
 pastel
 pastel [pæstl]
-   kleurkrĳt; pastel; tekenkrĳt
+   kleurkrijt; pastel; tekenkrijt
 
 _____
 
@@ -20470,7 +20478,7 @@
 pastor [pɑːstər]
    pastoor
    dominee; pastor; predikant; voorganger; zielszorger
-   geestelĳke; pastoor; pastor; zielszorger; zielverzorger
+   geestelijke; pastoor; pastor; zielszorger; zielverzorger
 
 _____
 
@@ -20545,14 +20553,14 @@
 
 patience
 patience [peiʃəns]
-   geduld; lĳdzaamheid
+   geduld; lijdzaamheid
 
 _____
 
 patient
 patient [peiʃənt]
    patiënt; zieke
-   geduldig; lĳdzaam
+   geduldig; lijdzaam
    patiënt
 
 _____
@@ -20590,7 +20598,7 @@
 
 patrolman
 patrolman [pətroulmən]
-   gendarme; veldwachter; rĳksveldwachter
+   gendarme; veldwachter; rijksveldwachter
 
 _____
 
@@ -20718,7 +20726,7 @@
 
 pay homage to
 pay homage to [peihɔmidʒtou]
-   als eerbewĳs geven
+   als eerbewijs geven
 
 _____
 
@@ -20840,7 +20848,7 @@
 
 peculiar
 peculiar [pikjuːliər]
-   eigenaardig; gek; raar; vreemd; vreemdsoortig; wonderlĳk
+   eigenaardig; gek; raar; vreemd; vreemdsoortig; wonderlijk
 
 _____
 
@@ -20939,7 +20947,7 @@
 peevish
 peevish [piːviʃ]
    balorig; kregel; slechtgehumeurd
-   aalwaardig; aalwarig; gemelĳk; verdrietig
+   aalwaardig; aalwarig; gemelijk; verdrietig
 
 _____
 
@@ -20989,7 +20997,7 @@
 
 pencil sharpener
 pencil sharpener [penslʃɑːpnər]
-   potloodslĳper; punteslĳper
+   potloodslijper; punteslijper
 
 _____
 
@@ -21101,7 +21109,7 @@
 perceive
 perceive [pəsiːv]
    bespeuren; gewaar worden
-   bespeuren; in de smiezen krĳgen; in het oog krĳgen; ontwaren
+   bespeuren; in de smiezen krijgen; in het oog krijgen; ontwaren
    gewaar worden; merken; bemerken; vernemen; waarnemen
 
 _____
@@ -21126,7 +21134,7 @@
 
 perchance
 perchance [pəːtʃəns]
-   misschien; mogelĳk; mogelĳkerwĳs; soms; wellicht
+   misschien; mogelijk; mogelijkerwijs; soms; wellicht
 
 _____
 
@@ -21169,9 +21177,9 @@
 
 perform
 perform [pəfɔːm]
-   opdagen; opdraven; te voorschĳn komen; uitkomen; verschĳnen
+   opdagen; opdraven; te voorschijn komen; uitkomen; verschijnen
    binnengaan; binnenlopen; ingaan
-   maken; aanmaken; bedrĳven; doen; uitbrengen; uitrichten; uitvoeren
+   maken; aanmaken; bedrijven; doen; uitbrengen; uitrichten; uitvoeren
    nakomen; naleven; uitvoeren; verrichten; vervullen; voltrekken
    aanbieden; indienen; presenteren; spelen; vertonen; voorstellen
 
@@ -21186,7 +21194,7 @@
 
 perhaps
 perhaps [pəhæps]
-   misschien; mogelĳk; mogelĳkerwĳs; soms; wellicht
+   misschien; mogelijk; mogelijkerwijs; soms; wellicht
 
 _____
 
@@ -21204,7 +21212,7 @@
 
 period
 period [piəriəd]
-   periode; tĳdvak
+   periode; tijdvak
    oog; punt; spikkel; stip
 
 _____
@@ -21213,7 +21221,7 @@
 periodical [piəriɔdikl]
    blad; krant
    periodiek
-   periodiek; revue; tĳdschrift
+   periodiek; revue; tijdschrift
 
 _____
 
@@ -21249,7 +21257,7 @@
 
 perishable
 perishable [periʃəbl]
-   bederfelĳk
+   bederfelijk
 
 _____
 
@@ -21276,7 +21284,7 @@
 permit
 permit [pəːmit]
    gedogen; toelaten; toestaan; vergunnen; veroorloven
-   vergunning; vrĳbrief
+   vergunning; vrijbrief
 
 _____
 
@@ -21294,7 +21302,7 @@
 
 perplexed
 perplexed [pəplekst]
-   bedremmeld; beduusd; beteuterd; verbĳsterd; verbouwereerd
+   bedremmeld; beduusd; beteuterd; verbijsterd; verbouwereerd
    beteuterd; perplex; uit het veld geslagen; verbluft
 
 _____
@@ -21327,16 +21335,16 @@
 
 persevere
 persevere [pəːsiviər]
-   aanhouden; blĳven aandringen
-   doorbĳten; doorzetten; voet bĳ stuk houden; volharden; volhouden
+   aanhouden; blijven aandringen
+   doorbijten; doorzetten; voet bij stuk houden; volharden; volhouden
 
 _____
 
 persist
 persist [pəːsist]
-   aanhouden; blĳven aandringen
+   aanhouden; blijven aandringen
    koppig volhouden; tegenstreven; zich schrapzetten
-   doorbĳten; doorzetten; voet bĳ stuk houden; volharden; volhouden
+   doorbijten; doorzetten; voet bij stuk houden; volharden; volhouden
 
 _____
 
@@ -21355,7 +21363,7 @@
 
 personal
 personal [pəːsənl]
-   persoonlĳk
+   persoonlijk
    eigen
 
 _____
@@ -21363,7 +21371,7 @@
 personality
 personality [pəːsənælitiː]
    aard; geaardheid; karakter
-   persoonlĳkheid
+   persoonlijkheid
 
 _____
 
@@ -21387,7 +21395,7 @@
 
 perspective
 perspective [pəspektiv]
-   doorkĳk; perspectief; prospect; verschiet; vooruitzicht
+   doorkijk; perspectief; prospect; verschiet; vooruitzicht
 
 _____
 
@@ -21430,7 +21438,7 @@
 
 pessimist
 pessimist [pesimist]
-   pessimist; zwartkĳker
+   pessimist; zwartkijker
 
 _____
 
@@ -21448,7 +21456,7 @@
 
 pestle
 pestle [pesl]
-   stamper; vĳzelstamper
+   stamper; vijzelstamper
 
 _____
 
@@ -21558,7 +21566,7 @@
 petulant
 petulant [petjulənt]
    balorig; kregel; slechtgehumeurd
-   dartel; olĳk; ondeugend; schalks; schelms
+   dartel; olijk; ondeugend; schalks; schelms
 
 _____
 
@@ -21576,13 +21584,13 @@
 
 phantom
 phantom [fæntuːm]
-   blinde; blinde bĳ kaarspel; geest; schim; spook
+   blinde; blinde bij kaarspel; geest; schim; spook
 
 _____
 
 pharmaceutical
 pharmaceutical [fɑːməsjuːtikl]
-   artsenĳ; geneesmiddel; medicĳn
+   artsenij; geneesmiddel; medicijn
 
 _____
 
@@ -21600,13 +21608,13 @@
 
 pharmacy
 pharmacy [fɑːməsiː]
-   artsenĳbereidkunde; farmacie
+   artsenijbereidkunde; farmacie
 
 _____
 
 phase
 phase [feiz]
-   fase; kwartier; schĳngestalte
+   fase; kwartier; schijngestalte
 
 _____
 
@@ -21630,7 +21638,7 @@
 
 phenomenon
 phenomenon [finɔminən]
-   fenomeen; verschĳnsel; zeldzaam verschĳnsel
+   fenomeen; verschijnsel; zeldzaam verschijnsel
 
 _____
 
@@ -21649,7 +21657,7 @@
 
 philosopher
 philosopher [filɔsəfər]
-   filosoof; wĳsgeer
+   filosoof; wijsgeer
 
 _____
 
@@ -21667,7 +21675,7 @@
 
 philosophy
 philosophy [filɔsəfiː]
-   filosofie; wĳsbegeerte
+   filosofie; wijsbegeerte
 
 _____
 
@@ -21686,13 +21694,13 @@
 phlegm
 phlegm [flem]
    flegma
-   slĳm
+   slijm
 
 _____
 
 phobia
 phobia [foubiə]
-   fobie; ziekelĳke angst
+   fobie; ziekelijke angst
 
 _____
 
@@ -21773,8 +21781,8 @@
 
 physical
 physical [fizikl]
-   fysiek; fysisch; lichamelĳk; natuurkundig
-   lichamelĳk; lĳfelĳk
+   fysiek; fysisch; lichamelijk; natuurkundig
+   lichamelijk; lijfelijk
 
 _____
 
@@ -21887,7 +21895,7 @@
 
 pictureframe
 picture‐frame
-   lĳst; schilderĳlĳst
+   lijst; schilderijlijst
 
 _____
 
@@ -21895,8 +21903,8 @@
 picture [piktʃər]
    beeld; afbeelding; plaat; prent; voorstelling
    beeld; afbeelding; figuur
-   doek; schilderĳ; schildering; schilderstuk
-   beeld; gelĳkenis
+   doek; schilderij; schildering; schilderstuk
+   beeld; gelijkenis
 
 _____
 
@@ -21962,14 +21970,14 @@
 
 pig
 pig‐
-   varkens‐; zwĳnen‐
+   varkens‐; zwijnen‐
 
 _____
 
 pig
 pig [pig]
-   varkens‐; zwĳnen‐
-   varken; zwĳn
+   varkens‐; zwijnen‐
+   varken; zwijn
 
 _____
 
@@ -22092,17 +22100,17 @@
 
 pincers
 pincers [pinsəz]
-   nĳptang
-   knĳper; schaar
-   nĳptang; knĳptang
-   nĳptang; tangstelling
+   nijptang
+   knijper; schaar
+   nijptang; knijptang
+   nijptang; tangstelling
 
 _____
 
 pinch
 pinch [pintʃ]
    beknellen
-   klemmen; nĳpen; knĳpen; tokkelen
+   klemmen; nijpen; knijpen; tokkelen
    achteroverdrukken; verdonkeremanen; verduisteren
    achteroverdrukken
 
@@ -22110,13 +22118,13 @@
 
 pinetree
 pine‐tree
-   den; denneboom; pĳnboom
+   den; denneboom; pijnboom
 
 _____
 
 pine
 pine [pain]
-   den; denneboom; pĳnboom
+   den; denneboom; pijnboom
 
 _____
 
@@ -22161,8 +22169,8 @@
 
 pipe
 pipe [paip]
-   pĳp; tabakspĳp
-   buis; kanaal; loop; pĳp; roer; steel
+   pijp; tabakspijp
+   buis; kanaal; loop; pijp; roer; steel
 
 _____
 
@@ -22192,7 +22200,7 @@
 
 pitprops
 pit‐props
-   mĳnhout
+   mijnhout
 
 _____
 
@@ -22223,27 +22231,27 @@
 
 pitiable
 pitiable [pitiəbl]
-   bedroevend; grievend; spĳtig; verdrietelĳk
+   bedroevend; grievend; spijtig; verdrietelijk
 
 _____
 
 pitiful
 pitiful [pitifəl]
-   beklagenswaardig; erbarmelĳk; zielig
+   beklagenswaardig; erbarmelijk; zielig
 
 _____
 
 pitwood
 pitwood [pitwud]
-   mĳnhout
+   mijnhout
 
 _____
 
 pity
 pity [pitiː]
    schade; zonde
-   beklagen; medelĳden hebben; medelĳden hebben met
-   erbarmen; mededogen; medelĳden
+   beklagen; medelijden hebben; medelijden hebben met
+   erbarmen; mededogen; medelijden
 
 _____
 
@@ -22330,7 +22338,7 @@
 plain
 plain [plein]
    vlakte
-   duidelĳk; helder; klaar; uitgesproken; zuiver
+   duidelijk; helder; klaar; uitgesproken; zuiver
 
 _____
 
@@ -22373,7 +22381,7 @@
 plane
 plane [plein]
    vliegmachine; vliegtuig
-   een glĳvlucht maken; zweefvliegen
+   een glijvlucht maken; zweefvliegen
    ontwerp; opzet; plan; plattegrond
    plataan
    schaven; afschaven
@@ -22409,7 +22417,7 @@
 
 plantation
 plantation [plænteiʃən]
-   kwekerĳ; plantage
+   kwekerij; plantage
    beplanting
    aanplant
    aanplanting; beplanting
@@ -22437,7 +22445,7 @@
 
 plaster
 plaster [plɑːstər]
-   aanstrĳken; kalken
+   aanstrijken; kalken
    pleister; wondpleister
    pleisteren; bepleisteren; stukadoren
    kalk; pleister; pleisterkalk; stuc
@@ -22500,14 +22508,14 @@
 
 plausible
 plausible [plɔːzibl]
-   aannemelĳk; waarschĳnlĳk
-   aannemelĳk; geloofwaardig
+   aannemelijk; waarschijnlijk
+   aannemelijk; geloofwaardig
 
 _____
 
 playoff
 play‐off
-   beslissingswedstrĳd; finale
+   beslissingswedstrijd; finale
 
 _____
 
@@ -22553,7 +22561,7 @@
 
 plea
 plea [pliː]
-   argument; bewĳsgrond
+   argument; bewijsgrond
    pleiten
    pleidooi
 
@@ -22574,8 +22582,8 @@
 
 pleasant
 pleasant [pleznt]
-   aangenaam; behaaglĳk; genoeglĳk; heerlĳk; plezierig
-   genoeglĳk; heerlĳk; plezierig
+   aangenaam; behaaglijk; genoeglijk; heerlijk; plezierig
+   genoeglijk; heerlijk; plezierig
 
 _____
 
@@ -22587,7 +22595,7 @@
 
 pleasantness
 pleasantness [plezntnəs]
-   aangenaamheid; behaaglĳkheid; genoeglĳkheid
+   aangenaamheid; behaaglijkheid; genoeglijkheid
 
 _____
 
@@ -22607,7 +22615,7 @@
 
 pleasing
 pleasing [pliːsiŋ]
-   aantrekkelĳk; behaaglĳk; bekoorlĳk; smaakvol; tof; welgevallig
+   aantrekkelijk; behaaglijk; bekoorlijk; smaakvol; tof; welgevallig
 
 _____
 
@@ -22632,7 +22640,7 @@
 
 plentiful
 plentiful [plentifəl]
-   abundant; overvloedig; rĳk; uitbundig; volop; weelderig; welig
+   abundant; overvloedig; rijk; uitbundig; volop; weelderig; welig
    copieus; overvloedig
 
 _____
@@ -22652,7 +22660,7 @@
 
 plot
 plot [plɔt]
-   intrige; konkelarĳ; machinatie; verwikkeling
+   intrige; konkelarij; machinatie; verwikkeling
    komplot; samenspanning
    intrige; verwikkeling
 
@@ -22718,7 +22726,7 @@
 
 pluperfect
 pluperfect [pluːpəːfikt]
-   plusquamperfectum; onvoltooid verleden tĳd
+   plusquamperfectum; onvoltooid verleden tijd
 
 _____
 
@@ -22778,7 +22786,7 @@
 
 poetic
 poetic [pouetik]
-   dichterlĳk; poëtisch
+   dichterlijk; poëtisch
 
 _____
 
@@ -22810,14 +22818,14 @@
 
 point out
 point out [pɔintaut]
-   laten zien; tentoonspreiden; tonen; vertonen; wĳzen; uitwĳzen
+   laten zien; tentoonspreiden; tonen; vertonen; wijzen; uitwijzen
    aanduiden; aangeven; een teken geven; merken; kenmerken; tekenen
 
 _____
 
 point out to be
 point out to be [pɔintauttoub]
-   blĳken; zich vertonen
+   blijken; zich vertonen
 
 _____
 
@@ -22830,13 +22838,13 @@
 poison
 poison [pɔizn]
    vergallen; vergeven; vergiftigen; verpesten
-   gif; gift; venĳn; vergif; zwadder
+   gif; gift; venijn; vergif; zwadder
 
 _____
 
 poisonous
 poisonous [pɔizənəs]
-   giftig; venĳnig; vergiftig; verpestend
+   giftig; venijnig; vergiftig; verpestend
 
 _____
 
@@ -22855,9 +22863,9 @@
 pole
 pole [poul]
    kuil
-   paal; post; deurpost; stĳl
+   paal; post; deurpost; stijl
    pool
-   baar; paal; pĳp; roede; schacht; spĳl; stang
+   baar; paal; pijp; roede; schacht; spijl; stang
 
 _____
 
@@ -22887,7 +22895,7 @@
 
 policy
 policy [pɔləsiː]
-   beleid; gedragslĳn
+   beleid; gedragslijn
    polis
    beleid; politiek; staatkunde
 
@@ -22896,21 +22904,21 @@
 polish
 polish [pɔliʃ]
    schoencrème; schoensmeer
-   boenen; poetsen; polĳsten; schuren; wrĳven; zoeten
-   fatsoeneren; knippen; slĳpen
+   boenen; poetsen; polijsten; schuren; wrijven; zoeten
+   fatsoeneren; knippen; slijpen
 
 _____
 
 polite
 polite [pəlait]
    beschaafd; welgemanierd; wellevend
-   beleefd; galant; heus; hoffelĳk; welgemanierd; wellevend
+   beleefd; galant; heus; hoffelijk; welgemanierd; wellevend
 
 _____
 
 politeness
 politeness [pəlaitnəs]
-   beleefdheid; hoffelĳkheid; welgemanierdheid; wellevendheid
+   beleefdheid; hoffelijkheid; welgemanierdheid; wellevendheid
 
 _____
 
@@ -22988,7 +22996,7 @@
 
 pond
 pond [pɔnd]
-   kolk; vĳver; waterplas
+   kolk; vijver; waterplas
 
 _____
 
@@ -23028,9 +23036,9 @@
 
 poor
 poor [peər]
-   beklagenswaardig; erbarmelĳk; zielig
-   beroerd; kwaad; kwalĳk; slecht; verkeerd
-   arm; armelĳk; armoedig
+   beklagenswaardig; erbarmelijk; zielig
+   beroerd; kwaad; kwalijk; slecht; verkeerd
+   arm; armelijk; armoedig
    arm; beklagenswaardig; schamel
 
 _____
@@ -23166,20 +23174,20 @@
 
 porthole
 porthole [pɔːthoul]
-   dakraam; luik; patrĳspoort
+   dakraam; luik; patrijspoort
 
 _____
 
 portico
 portico [pɔːtikou]
-   zuilengalerĳ; zuilengang
+   zuilengalerij; zuilengang
 
 _____
 
 portrait
 portrait [pɔːtreit]
    beeltenis; evenbeeld; portret
-   beeld; gelĳkenis
+   beeld; gelijkenis
 
 _____
 
@@ -23197,7 +23205,7 @@
 
 pose
 pose [pouz]
-   aanstellerĳ; maniertje
+   aanstellerij; maniertje
    zich aanstellen; zich voordoen
    poseren; zitten
    pose; stand
@@ -23231,7 +23239,7 @@
 
 possess
 possess [pəzes]
-   bezitten; erop nahouden; rĳk zĳn
+   bezitten; erop nahouden; rijk zijn
 
 _____
 
@@ -23251,26 +23259,26 @@
 
 possibility
 possibility [pɔsəbilitiː]
-   mogelĳkheid
-   kans; mogelĳkheid
+   mogelijkheid
+   kans; mogelijkheid
 
 _____
 
 possible
 possible [pɔsəbl]
-   bestaanbaar; mogelĳk
+   bestaanbaar; mogelijk
 
 _____
 
 possibly
 possibly [pɔsəbliː]
-   misschien; mogelĳk; mogelĳkerwĳs; soms; wellicht
+   misschien; mogelijk; mogelijkerwijs; soms; wellicht
 
 _____
 
 postpaid
 post‐paid
-   gefrankeerd; portvrĳ; vrachtvrĳ
+   gefrankeerd; portvrij; vrachtvrij
 
 _____
 
@@ -23278,10 +23286,10 @@
 post [poust]
    aanplakken
    op de post doen; posten
-   paal; post; deurpost; stĳl
+   paal; post; deurpost; stijl
    ambt; baan; betrekking; plaats; werkkring
    ambt; baan; betrekking; plaats; post; wachtpost; werkkring
-   post; posterĳen
+   post; posterijen
 
 _____
 
@@ -23342,7 +23350,7 @@
 
 postulate
 postulate [pɔstʃuleit]
-   eisen; opeisen; rekenen; vereisen; vergen; voorschrĳven; vorderen
+   eisen; opeisen; rekenen; vereisen; vergen; voorschrijven; vorderen
 
 _____
 
@@ -23455,7 +23463,7 @@
 pound
 pound [paund]
    pond
-   stampen; fĳnstampen
+   stampen; fijnstampen
    pond; pond sterling
 
 _____
@@ -23528,7 +23536,7 @@
 
 power
 power [pauər]
-   heerschappĳ; macht; mogendheid
+   heerschappij; macht; mogendheid
 
 _____
 
@@ -23547,7 +23555,7 @@
 practicable
 practicable [præktikəbl]
    begaanbaar
-   berĳdbaar
+   berijdbaar
    begaanbaar
 
 _____
@@ -23555,7 +23563,7 @@
 practical
 practical [præktikl]
    praktisch
-   reëel; werkelĳk; daadwerkelĳk; wezenlĳk
+   reëel; werkelijk; daadwerkelijk; wezenlijk
 
 _____
 
@@ -23565,8 +23573,8 @@
    oefenen; zich oefenen
    oefening
    beoefening; uitoefening
-   beoefenen; betrachten; in de praktĳk brengen; uitoefenen
-   praktĳk
+   beoefenen; betrachten; in de praktijk brengen; uitoefenen
+   praktijk
 
 _____
 
@@ -23603,8 +23611,8 @@
 
 praise
 praise [preiz]
-   loven; prĳzen; roemen; verheerlĳken
-   lof toezwaaien; loven; prĳzen; roemen
+   loven; prijzen; roemen; verheerlijken
+   lof toezwaaien; loven; prijzen; roemen
    lof; pluim
 
 _____
@@ -23647,7 +23655,7 @@
 
 precede
 precede [prisiːd]
-   voorafgaan; voorzĳn
+   voorafgaan; voorzijn
    voorafgaan; voorgaan; voorlopen; vooropgaan
 
 _____
@@ -23668,7 +23676,7 @@
 
 precise
 precise [preisiːz]
-   duidelĳk; knap; net; verzorgd
+   duidelijk; knap; net; verzorgd
    juist; minutieus; precies; scherp; secuur; stipt; zorgvuldig
 
 _____
@@ -23734,7 +23742,7 @@
 preferably
 preferably [prefrəbliː]
    eer; liever
-   bĳ voorkeur; eer; liefst; liever; veeleer
+   bij voorkeur; eer; liefst; liever; veeleer
 
 _____
 
@@ -23792,7 +23800,7 @@
 premium
 premium [priːmiəm]
    agio; opgeld
-   premie; prĳs
+   premie; prijs
 
 _____
 
@@ -23849,7 +23857,7 @@
 
 presence
 presence [prizens]
-   aanwezigheid; bĳzĳn; presentie; tegenwoordigheid
+   aanwezigheid; bijzijn; presentie; tegenwoordigheid
 
 _____
 
@@ -23866,7 +23874,7 @@
    cadeau; donatie; geschenk; gift; schenking
    hedendaags; huidig; van vandaag
    huidig; tegenwoordig
-   actueel; eigentĳds; tegenwoordig
+   actueel; eigentijds; tegenwoordig
    spelen; uitvoeren; vertonen
    aanbieden; indienen; presenteren; spelen; vertonen; voorstellen
    aanwezig; present; tegenwoordig
@@ -23914,7 +23922,7 @@
 preserve
 preserve [prizəːv]
    behoeden; bewaren voor
-   inleggen; inmaken; konfĳten
+   inleggen; inmaken; konfijten
    behouden; bergen; bewaren; conserveren; onderhouden; overhouden
 
 _____
@@ -23937,7 +23945,7 @@
    aandrukken
    dringen; drukken; knellen; persen; pressen
    pers; drukpers
-   dringen; haasten; jachten; tot haast aanzetten; urgent zĳn
+   dringen; haasten; jachten; tot haast aanzetten; urgent zijn
 
 _____
 
@@ -24018,20 +24026,20 @@
 
 pretext
 pretext [priːtekst]
-   dekmantel; draaierĳ; smoes; smoesje; voorwendsel
+   dekmantel; draaierij; smoes; smoesje; voorwendsel
 
 _____
 
 pretty
 pretty [pritiː]
-   aardig; beminnelĳk; lief; vriendelĳk
+   aardig; beminnelijk; lief; vriendelijk
    aardig; keurig
 
 _____
 
 prevail over
 prevail over [priveilouvər]
-   geweld aandoen; overmeesteren; sterker zĳn dan
+   geweld aandoen; overmeesteren; sterker zijn dan
 
 _____
 
@@ -24051,7 +24059,7 @@
 
 previously
 previously [priːviəzliː]
-   daarvoor; eerder; indertĳd; vooraan; voorheen; vroeger; weleer
+   daarvoor; eerder; indertijd; vooraan; voorheen; vroeger; weleer
 
 _____
 
@@ -24071,13 +24079,13 @@
 
 pricelist
 price‐list
-   prĳslĳst
+   prijslijst
 
 _____
 
 price
 price [prais]
-   prĳs
+   prijs
 
 _____
 
@@ -24089,8 +24097,8 @@
 
 pricey
 pricey [praisiː]
-   prĳzig
-   duur; kostbaar; prĳzig
+   prijzig
+   duur; kostbaar; prijzig
 
 _____
 
@@ -24109,14 +24117,14 @@
 
 priest
 priest [priːst]
-   geestelĳke; pastoor; pastor; zielszorger; zielverzorger
+   geestelijke; pastoor; pastor; zielszorger; zielverzorger
    priester
 
 _____
 
 priestly
 priestly [priːstliː]
-   priesterlĳk
+   priesterlijk
 
 _____
 
@@ -24189,7 +24197,7 @@
 
 principally
 principally [prinsipɑːliː]
-   in het bĳzonder; inzonderheid; voornamelĳk
+   in het bijzonder; inzonderheid; voornamelijk
 
 _____
 
@@ -24286,7 +24294,7 @@
 
 prize
 prize [praiz]
-   premie; prĳs
+   premie; prijs
 
 _____
 
@@ -24304,14 +24312,14 @@
 
 probable
 probable [prɔbəbl]
-   waarschĳnlĳk
+   waarschijnlijk
 
 _____
 
 probably
 probably [prɔbəbliː]
-   waarschĳnlĳk
-   allicht; vast; waarschĳnlĳk; wel; zeker
+   waarschijnlijk
+   allicht; vast; waarschijnlijk; wel; zeker
 
 _____
 
@@ -24329,7 +24337,7 @@
 
 procedure
 procedure [prəsiːdʒər]
-   bereidingswĳze; procédé; werkwĳze
+   bereidingswijze; procédé; werkwijze
 
 _____
 
@@ -24348,7 +24356,7 @@
 process
 process [prəses]
    bewerking
-   bereidingswĳze; procédé; werkwĳze
+   bereidingswijze; procédé; werkwijze
    ontwikkelingsgang; proces; verloop
 
 _____
@@ -24393,7 +24401,7 @@
 produce
 produce [prədjuːs]
    afwerpen; opbrengen; opleveren; voortbrengen
-   bewerkstelligen; realiseren; verwerkelĳken; uitvoeren
+   bewerkstelligen; realiseren; verwerkelijken; uitvoeren
 
 _____
 
@@ -24411,7 +24419,7 @@
 
 profane
 profane [prəfæn]
-   ontheiligen; ontwĳden; profaneren; schenden; verontheiligen
+   ontheiligen; ontwijden; profaneren; schenden; verontheiligen
 
 _____
 
@@ -24423,7 +24431,7 @@
 
 profession
 profession [prəfeʃən]
-   bedrĳf; beroep; broodwinning
+   bedrijf; beroep; broodwinning
 
 _____
 
@@ -24442,7 +24450,7 @@
 profile
 profile [proufail]
    karakterschets
-   doorsnede; doorsnee; profiel; zĳaanzicht
+   doorsnede; doorsnee; profiel; zijaanzicht
 
 _____
 
@@ -24450,7 +24458,7 @@
 profit [prɔfit]
    baat; gewin; verdienste; winst
    profiteren; voordeel trekken uit; winst maken
-   baat; belang; gewin; profĳt; voordeel; winst
+   baat; belang; gewin; profijt; voordeel; winst
 
 _____
 
@@ -24462,7 +24470,7 @@
 
 profuse
 profuse [prəfjuːs]
-   abundant; overvloedig; rĳk; uitbundig; volop; weelderig; welig
+   abundant; overvloedig; rijk; uitbundig; volop; weelderig; welig
 
 _____
 
@@ -24545,7 +24553,7 @@
 
 prolonged
 prolonged [prəlɔŋd]
-   lang; lange tĳd; voor lange tĳd
+   lang; lange tijd; voor lange tijd
 
 _____
 
@@ -24621,7 +24629,7 @@
 proof
 proof [pruːf]
    drukproef
-   adstructie; bewĳs; teken
+   adstructie; bewijs; teken
 
 _____
 
@@ -24645,20 +24653,20 @@
 
 proper
 proper [prɔpər]
-   behoorlĳk; betamelĳk; fatsoenlĳk; keurig; voegzaam; welvoeglĳk
+   behoorlijk; betamelijk; fatsoenlijk; keurig; voegzaam; welvoeglijk
    goed; juist; recht
 
 _____
 
 properly
 properly [prɔpəliː]
-   behoorlĳk; fatsoenlĳk; naar behoren; netjes; passend
+   behoorlijk; fatsoenlijk; naar behoren; netjes; passend
 
 _____
 
 property
 property [prɔpətiː]
-   bezitting; boerderĳ; goed; landgoed
+   bezitting; boerderij; goed; landgoed
    eigenschap
    allooi; eigenschap; kwaliteit
    bezit; bezitting; eigendom; goed; vermogen
@@ -24694,7 +24702,7 @@
 
 proportional
 proportional [prəpɔːʃənl]
-   evenredig; proportioneel; verhoudingsgewĳs
+   evenredig; proportioneel; verhoudingsgewijs
 
 _____
 
@@ -24706,7 +24714,7 @@
 
 proposal
 proposal [prəpouzl]
-   aanzoek; huwelĳksaanzoek
+   aanzoek; huwelijksaanzoek
 
 _____
 
@@ -24738,7 +24746,7 @@
 
 prospector
 prospector [prəspektər]
-   mĳnbouwkundig onderzoeker
+   mijnbouwkundig onderzoeker
 
 _____
 
@@ -24750,7 +24758,7 @@
 
 prosper
 prosper [prɔspər]
-   bloeien; floreren; gedĳen; tieren; vooruitkomen; welvaren
+   bloeien; floreren; gedijen; tieren; vooruitkomen; welvaren
 
 _____
 
@@ -24825,7 +24833,7 @@
 
 protest
 protest [prɔtist]
-   bestrĳden; betwisten; protest aantekenen; protesteren
+   bestrijden; betwisten; protest aantekenen; protesteren
    bezwaar; protest; tegenwerping
 
 _____
@@ -24850,7 +24858,7 @@
 
 protracted
 protracted [prətræktid]
-   lang; lange tĳd; voor lange tĳd
+   lang; lange tijd; voor lange tijd
 
 _____
 
@@ -24874,8 +24882,8 @@
 
 prove
 prove [pruːv]
-   aantonen; bewĳzen
-   aantonen; adstrueren; bewĳzen; staven; uitwĳzen; waarmaken
+   aantonen; bewijzen
+   aantonen; adstrueren; bewijzen; staven; uitwijzen; waarmaken
 
 _____
 
@@ -24888,7 +24896,7 @@
 
 provide
 provide [prəvaid]
-   bevoorraden; provianderen; spekken; stĳven; voorzien van
+   bevoorraden; provianderen; spekken; stijven; voorzien van
 
 _____
 
@@ -24907,7 +24915,7 @@
 
 provincial
 provincial [prəvinʃl]
-   gewestelĳk; provinciaal
+   gewestelijk; provinciaal
 
 _____
 
@@ -24919,7 +24927,7 @@
 
 provisional
 provisional [prəviʒənl]
-   tĳdelĳk; voorlopig
+   tijdelijk; voorlopig
 
 _____
 
@@ -24944,8 +24952,8 @@
 
 proximity
 proximity [prɔksimitiː]
-   nabĳheid
-   buurt; nabĳheid
+   nabijheid
+   buurt; nabijheid
 
 _____
 
@@ -25060,7 +25068,7 @@
 
 pub
 pub [pəb]
-   bar; herberg; kroeg; tapperĳ
+   bar; herberg; kroeg; tapperij
    bar; café
 
 _____
@@ -25073,7 +25081,7 @@
 
 public
 public [pʌblik]
-   openbaar; openlĳk; publiek; ruchtbaar
+   openbaar; openlijk; publiek; ruchtbaar
    publiek
 
 _____
@@ -25131,14 +25139,14 @@
 
 publisher
 publisher [pʌbliʃər]
-   uitgeverĳ
+   uitgeverij
    uitgever
 
 _____
 
 publishing house
 publishing house [pʌbliʃiŋhaus]
-   uitgeverĳ
+   uitgeverij
 
 _____
 
@@ -25195,7 +25203,7 @@
 
 pulley
 pulley [puliː]
-   blok; hĳsblok; katrol; schĳf; katrolschĳf; riemschĳf
+   blok; hijsblok; katrol; schijf; katrolschijf; riemschijf
 
 _____
 
@@ -25213,7 +25221,7 @@
 
 pull out
 pull out [pəlaut]
-   ontlokken; slaken; uitbrengen; uithalen; uitdrĳven; uiten
+   ontlokken; slaken; uitbrengen; uithalen; uitdrijven; uiten
 
 _____
 
@@ -25262,7 +25270,7 @@
 pulverize
 pulverize [pʌlvəraiz]
    kwellen; malen; vermalen
-   fĳnmaken; verpoederen; verpulveren
+   fijnmaken; verpoederen; verpulveren
 
 _____
 
@@ -25319,7 +25327,7 @@
 
 punish
 punish [pʌniʃ]
-   kastĳden; tuchtigen
+   kastijden; tuchtigen
    straffen; bestraffen
    afstraffen
 
@@ -25414,7 +25422,7 @@
 
 purity
 purity [pjeəritiː]
-   helderheid; kuisheid; zindelĳkheid; zuiverheid
+   helderheid; kuisheid; zindelijkheid; zuiverheid
    eerbaarheid; kuisheid; reinheid; zuiverheid
 
 _____
@@ -25460,7 +25468,7 @@
 
 pursue ones point
 pursue one's point [pəsjuːwʌnzpɔint]
-   aanhouden; blĳven aandringen
+   aanhouden; blijven aandringen
 
 _____
 
@@ -25557,7 +25565,7 @@
    bergen; insluiten; opbergen; opsluiten; wegbergen
    indoen; inleggen; inzetten
    bergen; bewaren; opbergen; wegleggen; wegzetten
-   op een zĳspoor zetten; stallen
+   op een zijspoor zetten; stallen
 
 _____
 
@@ -25588,7 +25596,7 @@
 
 put in finished form
 put in finished form [putinfiniʃtfɔːm]
-   fatsoeneren; in het net schrĳven
+   fatsoeneren; in het net schrijven
 
 _____
 
@@ -25600,8 +25608,8 @@
 
 put off
 put off [putɔf]
-   afdoen; afleggen; afzetten; uitdoen; uitkrĳgen; uittrekken
-   afschepen; de deur wĳzen
+   afdoen; afleggen; afzetten; uitdoen; uitkrijgen; uittrekken
+   afschepen; de deur wijzen
    afschepen
    afpoeieren
 
@@ -25610,7 +25618,7 @@
 put on
 put on [putwʌn]
    aanzetten; aanzetten tot; activeren
-   aan de praat krĳgen; aanzetten; op gang brengen
+   aan de praat krijgen; aanzetten; op gang brengen
    aandoen; aantrekken; opleggen
 
 _____
@@ -25665,7 +25673,7 @@
 
 put out of countenance
 put out of countenance [putautɔfkauntinəns]
-   ontzettend; schrikbarend; schrikkelĳk; verbluffend
+   ontzettend; schrikbarend; schrikkelijk; verbluffend
 
 _____
 
@@ -25678,13 +25686,13 @@
 put right
 put right [putrait]
    afstellen; fitten; passend maken; verstellen
-   gelĳkzetten; goed zetten; rechtzetten; stellen
+   gelijkzetten; goed zetten; rechtzetten; stellen
 
 _____
 
 put together
 put together [puttəgeðər]
-   bĳeenvoegen; ineenzetten; samenstellen
+   bijeenvoegen; ineenzetten; samenstellen
 
 _____
 
@@ -25709,24 +25717,24 @@
 put up
 put up [putʌp]
    aanbrengen; monteren
-   gastvrĳheid verlenen aan
+   gastvrijheid verlenen aan
 
 _____
 
 put up with
 put up with [putʌpwið]
    dragen; naar buiten brengen; uithouden; verdragen
-   doorstaan; lĳden; ondergaan; uitstaan; velen; verdragen
-   aanzien; dulden; lĳden; toelaten; tolereren; velen; verdragen
+   doorstaan; lijden; ondergaan; uitstaan; velen; verdragen
+   aanzien; dulden; lijden; toelaten; tolereren; velen; verdragen
 
 _____
 
 puzzle
 puzzle [pʌzl]
    puzzel; raadsel
-   verbĳsteren
-   dooreenhalen; van zĳn stuk brengen; verwarren; verwisselen
-   onthutsen; ontstellen; ontzetten; verbĳsteren; verbluffen
+   verbijsteren
+   dooreenhalen; van zijn stuk brengen; verwarren; verwisselen
+   onthutsen; ontstellen; ontzetten; verbijsteren; verbluffen
 
 _____
 
@@ -25799,17 +25807,17 @@
 
 quarrel
 quarrel [kwɔrəl]
-   dispuut; kwestie; strĳd; twist; redetwist; twistgesprek
-   kiften; kĳven; krakelen; ruzie maken; ruziën
+   dispuut; kwestie; strijd; twist; redetwist; twistgesprek
+   kiften; kijven; krakelen; ruzie maken; ruziën
    heibel; herrie; ruzie
    onenigheid hebben
-   geschil; herrie; mot; onmin; ruzie; strĳd; tweespalt
+   geschil; herrie; mot; onmin; ruzie; strijd; tweespalt
 
 _____
 
 quarter
 quarter [kwɔːtər]
-   buurt; wĳk; stadswĳk
+   buurt; wijk; stadswijk
 
 _____
 
@@ -25828,8 +25836,8 @@
 quash
 quash [kwɔʃ]
    vernielen; vernietigen; verwoesten
-   doen falen; laten mislukken; verĳdelen
-   afwĳzen; verĳdelen
+   doen falen; laten mislukken; verijdelen
+   afwijzen; verijdelen
 
 _____
 
@@ -25862,7 +25870,7 @@
 question [kwestʃən]
    kwestie; vraag; navraag
    een verhoor afnemen; ondervragen; verhoren
-   aanvechten; bestrĳden; betwisten; tegenspreken
+   aanvechten; bestrijden; betwisten; tegenspreken
 
 _____
 
@@ -25892,19 +25900,19 @@
 
 quickly
 quickly [kwikliː]
-   gauw; hard; in allerĳl; schielĳk; snel; vlug
+   gauw; hard; in allerijl; schielijk; snel; vlug
 
 _____
 
 quicksand
 quicksand [kwiksænd]
-   drĳfzand
+   drijfzand
 
 _____
 
 quicksands
 quicksands [kwiksændz]
-   drĳfzand
+   drijfzand
 
 _____
 
@@ -25924,7 +25932,7 @@
 
 quietly
 quietly [kwaiətliː]
-   kalm; op zĳn gemak; rustig
+   kalm; op zijn gemak; rustig
 
 _____
 
@@ -25966,8 +25974,8 @@
 
 quip
 quip [kwip]
-   bespotten; zich vrolĳk maken over
-   bespotten; de spot drĳven met; voor de zot houden
+   bespotten; zich vrolijk maken over
+   bespotten; de spot drijven met; voor de zot houden
 
 _____
 
@@ -25981,8 +25989,8 @@
 quite
 quite [kwait]
    min of meer
-   basta; genoeg; nogal; tamelĳk; vrĳ
-   bĳster; bĳzonder; heel; erg; terdege; zeer
+   basta; genoeg; nogal; tamelijk; vrij
+   bijster; bijzonder; heel; erg; terdege; zeer
    finaal; heel; geheel; helemaal; totaal; volkomen; volledig
 
 _____
@@ -26033,13 +26041,13 @@
 
 rabbi
 rabbi [ræbai]
-   rabbi; rabbĳn
+   rabbi; rabbijn
 
 _____
 
 rabbit
 rabbit [ræbit]
-   konĳn
+   konijn
 
 _____
 
@@ -26057,7 +26065,7 @@
 
 rabies
 rabies [reibiːz]
-   dolheid; hondsdolheid; razernĳ
+   dolheid; hondsdolheid; razernij
 
 _____
 
@@ -26102,7 +26110,7 @@
 
 rack
 rack [ræk]
-   arak; rĳstbrandewĳn
+   arak; rijstbrandewijn
 
 _____
 
@@ -26145,7 +26153,7 @@
 
 radical
 radical [rædikl]
-   grondig; ingrĳpend; radicaal; vergaand
+   grondig; ingrijpend; radicaal; vergaand
    radicaal; stam; wortelteken
    radicaal
 
@@ -26165,7 +26173,7 @@
 
 radish
 radish [rædiʃ]
-   radĳs
+   radijs
 
 _____
 
@@ -26189,7 +26197,7 @@
 
 raffle
 raffle [ræfl]
-   loterĳ; verloting
+   loterij; verloting
 
 _____
 
@@ -26310,7 +26318,7 @@
 
 rainy season
 rainy season [reiniːsiːzn]
-   regenseizoen; regentĳd
+   regenseizoen; regentijd
 
 _____
 
@@ -26326,7 +26334,7 @@
    dresseren; grootbrengen; kweken; opleiden; opvoeden
    een lied aanheffen; inzetten
    beuren; heffen; ophalen; oprichten; tillen; verheffen
-   opdrĳven; ophogen; verheffen; verhogen
+   opdrijven; ophogen; verheffen; verhogen
 
 _____
 
@@ -26363,7 +26371,7 @@
 
 ranch
 ranch [rɑːntʃ]
-   bezitting; boerderĳ; goed; landgoed
+   bezitting; boerderij; goed; landgoed
    ranch
 
 _____
@@ -26403,20 +26411,20 @@
 
 range
 range [reindʒ]
-   bereik; draagkracht; draagwĳdte
+   bereik; draagkracht; draagwijdte
 
 _____
 
 rank
 rank [ræŋk]
    graad; rang; stand; status
-   beurt; file; gelid; reeks; rĳ; toerbeurt
+   beurt; file; gelid; reeks; rij; toerbeurt
 
 _____
 
 ransom
 ransom [rænsəm]
-   afkopen; loskopen; vrĳkopen
+   afkopen; loskopen; vrijkopen
    afkoopsom
 
 _____
@@ -26435,7 +26443,7 @@
 
 rapier
 rapier [reipiər]
-   degen; zĳdgeweer
+   degen; zijdgeweer
 
 _____
 
@@ -26504,20 +26512,20 @@
 
 rate of exchange
 rate of exchange [reitɔfikstʃeindʒ]
-   koers; notering; beursnotering; prĳsnotering
+   koers; notering; beursnotering; prijsnotering
 
 _____
 
 rather
 rather [ræðər]
-   een beetje; een weinig; enigszins; nogal; tamelĳk; wat
-   een klein beetje; ietwat; lichtelĳk; zier
+   een beetje; een weinig; enigszins; nogal; tamelijk; wat
+   een klein beetje; ietwat; lichtelijk; zier
    immers; toch; wel; zeker
-   nogal; tamelĳk; tussenin
+   nogal; tamelijk; tussenin
    beter; juister; veeleer; veelmeer
-   bĳ voorkeur; eer; liefst; liever; veeleer
-   aardig; tamelĳk
-   basta; genoeg; nogal; tamelĳk; vrĳ
+   bij voorkeur; eer; liefst; liever; veeleer
+   aardig; tamelijk
+   basta; genoeg; nogal; tamelijk; vrij
 
 _____
 
@@ -26535,7 +26543,7 @@
 
 rational
 rational [ræʃənl]
-   rationeel; redelĳk
+   rationeel; redelijk
 
 _____
 
@@ -26566,7 +26574,7 @@
 
 rave
 rave [reiv]
-   krankzinnig zĳn
+   krankzinnig zijn
 
 _____
 
@@ -26579,7 +26587,7 @@
 ravine
 ravine [rəviːn]
    bergkloof
-   kloof; ravĳn
+   kloof; ravijn
 
 _____
 
@@ -26629,14 +26637,14 @@
 
 reread
 re‐read
-   doorkĳken; herlezen; nalezen
+   doorkijken; herlezen; nalezen
 
 _____
 
 reach
 reach [riːtʃ]
    bereiken; behalen; inhalen; reiken tot; treffen
-   bereik; draagkracht; draagwĳdte
+   bereik; draagkracht; draagwijdte
 
 _____
 
@@ -26672,7 +26680,7 @@
 
 read
 read [red]
-   aflezen; uitkrĳgen; uitlezen
+   aflezen; uitkrijgen; uitlezen
    lezen
    luiden
 
@@ -26711,27 +26719,27 @@
 
 read again
 read again [redəgein]
-   doorkĳken; herlezen; nalezen
+   doorkijken; herlezen; nalezen
 
 _____
 
 read out
 read out [redaut]
-   aflezen; uitkrĳgen; uitlezen
+   aflezen; uitkrijgen; uitlezen
 
 _____
 
 read over again
 read over again [redouvərəgein]
-   doorkĳken; herlezen; nalezen
+   doorkijken; herlezen; nalezen
 
 _____
 
 real
 real [reiɑːl]
-   effectief; werkelĳk; daadwerkelĳk
-   feitelĳk; werkelĳk
-   reëel; werkelĳk; daadwerkelĳk; wezenlĳk
+   effectief; werkelijk; daadwerkelijk
+   feitelijk; werkelijk
+   reëel; werkelijk; daadwerkelijk; wezenlijk
 
 _____
 
@@ -26756,21 +26764,21 @@
 
 realize
 realize [riəlaiz]
-   begrĳpen; beseffen; bevatten; snappen; vatten; verstaan
-   beseffen; zich bewust zĳn; zich realiseren
+   begrijpen; beseffen; bevatten; snappen; vatten; verstaan
+   beseffen; zich bewust zijn; zich realiseren
 
 _____
 
 really
 really [riːæliː]
-   echt; werkelĳk; wezenlĳk
-   echt; inderdaad; naar waarheid; waarachtig; waarlĳk; werkelĳk
+   echt; werkelijk; wezenlijk
+   echt; inderdaad; naar waarheid; waarachtig; waarlijk; werkelijk
 
 _____
 
 realm
 realm [relm]
-   rĳk; staat
+   rijk; staat
 
 _____
 
@@ -26841,15 +26849,15 @@
 reason [riːzn]
    oorzaak; reden
    reden
-   beweegreden; drĳfveer; motief; term
+   beweegreden; drijfveer; motief; term
    rede; verstand
 
 _____
 
 reasonable
 reasonable [riːznəbl]
-   bescheiden; matig; gematigd; schappelĳk; sober
-   billĳk; redelĳk
+   bescheiden; matig; gematigd; schappelijk; sober
+   billijk; redelijk
    verstandig
 
 _____
@@ -26883,7 +26891,7 @@
 
 rebellion
 rebellion [ribeliən]
-   muiterĳ; onlusten; opstand
+   muiterij; onlusten; opstand
 
 _____
 
@@ -26909,7 +26917,7 @@
 rebuke [ribjuːk]
    afkeuren; verwerpen; wraken
    afkeuren; berispen; gispen; laken; wraken
-   beknorren; berispen; terechtwĳzen; verwĳten
+   beknorren; berispen; terechtwijzen; verwijten
    berispen; een standje geven; uitkafferen
 
 _____
@@ -26939,8 +26947,8 @@
 receipt
 receipt [risiːt]
    kwiteren; voor voldaan tekenen
-   kwitantie; ontvangstbewĳs
-   kwitantie; ontvangbewĳs; reçu
+   kwitantie; ontvangstbewijs
+   kwitantie; ontvangbewijs; reçu
 
 _____
 
@@ -26948,7 +26956,7 @@
 receive [risiːv]
    aannemen; aanvaarden; accepteren; erkennen; ontvangen
    recipiëren
-   genieten; krĳgen; ontvangen; toucheren
+   genieten; krijgen; ontvangen; toucheren
 
 _____
 
@@ -26961,8 +26969,8 @@
 recently
 recently [riːsentliː]
    kort geleden; onlangs
-   recentelĳk
-   de laatste tĳd; recentelĳk
+   recentelijk
+   de laatste tijd; recentelijk
 
 _____
 
@@ -27006,7 +27014,7 @@
 
 reciprocal
 reciprocal [risiprəkl]
-   onderling; wederkerig; wederzĳds
+   onderling; wederkerig; wederzijds
 
 _____
 
@@ -27090,7 +27098,7 @@
 
 recommend
 recommend [rekəmend]
-   aanbevelen; aanprĳzen; recommanderen
+   aanbevelen; aanprijzen; recommanderen
 
 _____
 
@@ -27102,7 +27110,7 @@
 
 recommendation
 recommendation [rekəmendeiʃən]
-   kandidatenlĳst; nominatie; voordracht
+   kandidatenlijst; nominatie; voordracht
    aanbeveling; nominatie; voordracht
    aanbeveling; recommandatie
 
@@ -27116,7 +27124,7 @@
 
 recommended price
 recommended price [rekəmendidprais]
-   adviesprĳs
+   adviesprijs
 
 _____
 
@@ -27129,7 +27137,7 @@
 record
 record [rekɔːd]
    antecedenten
-   discus; plaat; grammofoonplaat; schĳf
+   discus; plaat; grammofoonplaat; schijf
    exposé; melding; rapport; verslag
    aantekenen; boeken; registreren; vastleggen
    register; rol
@@ -27145,7 +27153,7 @@
 
 recover
 recover [rikʌvər]
-   herkrĳgen; herwinnen
+   herkrijgen; herwinnen
    beter worden; genezen; helen
 
 _____
@@ -27195,7 +27203,7 @@
 
 redeem
 redeem [ridiːm]
-   afkopen; loskopen; vrĳkopen
+   afkopen; loskopen; vrijkopen
    aflossen; delgen
 
 _____
@@ -27208,7 +27216,7 @@
 
 redemption
 redemption [riːdempʃən]
-   aflossing; afschrĳving; amortisatie; delging; schulddelging
+   aflossing; afschrijving; amortisatie; delging; schulddelging
 
 _____
 
@@ -27226,7 +27234,7 @@
 
 reduced hours
 reduced hours [ridjuːstauəz]
-   arbeidstĳdverkorting; werktĳdverkorting
+   arbeidstijdverkorting; werktijdverkorting
 
 _____
 
@@ -27325,19 +27333,19 @@
 
 reference
 reference [refrəns]
-   referentie; verwĳzing
+   referentie; verwijzing
 
 _____
 
 refine
 refine [rifain]
-   louteren; raffineren; verfĳnen
+   louteren; raffineren; verfijnen
 
 _____
 
 refined
 refined [rifaind]
-   delicaat; fĳn; gevoelig; iel; kies; kieskeurig; tactvol; teder; teer
+   delicaat; fijn; gevoelig; iel; kies; kieskeurig; tactvol; teder; teer
 
 _____
 
@@ -27349,7 +27357,7 @@
 
 refinery
 refinery [rifainəriː]
-   raffinaderĳ
+   raffinaderij
 
 _____
 
@@ -27430,7 +27438,7 @@
 
 refusal
 refusal [rifjuːzl]
-   afwĳzing; weigering
+   afwijzing; weigering
 
 _____
 
@@ -27440,7 +27448,7 @@
    afval; rommel; schuim
    afval; bocht; rommel
    afval; rommel; uitschot
-   afkeuren; afwĳzen; het verdommen; terugwĳzen; vertikken; weigeren
+   afkeuren; afwijzen; het verdommen; terugwijzen; vertikken; weigeren
    afval; uitschot
 
 _____
@@ -27465,7 +27473,7 @@
 
 regal
 regal [riːgəl]
-   koninklĳk; vorstelĳk
+   koninklijk; vorstelijk
 
 _____
 
@@ -27474,7 +27482,7 @@
    achting; tel
    beschouwen; nagaan; overwegen; rekening houden met
    beschouwen
-   blikken; kĳken; bekĳken; kĳken naar; schouwen; toekĳken; toezien
+   blikken; kijken; bekijken; kijken naar; schouwen; toekijken; toezien
    beschouwen; zien
    achting; aanzien; gezochtheid
 
@@ -27501,7 +27509,7 @@
 
 regional
 regional [riːdʒənl]
-   gewestelĳk; regionaal; streek‐
+   gewestelijk; regionaal; streek‐
 
 _____
 
@@ -27535,14 +27543,14 @@
 
 registrar
 registrar [redʒistrɑːr]
-   ambtenaar van de burgerlĳke stand; griffier
+   ambtenaar van de burgerlijke stand; griffier
 
 _____
 
 regret
 regret [riːgret]
-   bejammeren; betreuren; spĳt hebben van
-   leedwezen; spĳt
+   bejammeren; betreuren; spijt hebben van
+   leedwezen; spijt
    bejammeren; betreuren; het jammer vinden van; ontzien; sparen
    berouwen
    berouw hebben van
@@ -27551,25 +27559,25 @@
 
 regrettable
 regrettable [rigretəbl]
-   betreurenswaardig; spĳtig
+   betreurenswaardig; spijtig
 
 _____
 
 regrettably
 regrettably [rigretəbliː]
-   helaas; jammer; jammer genoeg; tot mĳn spĳt
+   helaas; jammer; jammer genoeg; tot mijn spijt
 
 _____
 
 regular
 regular [regjulər]
-   gelĳkmatig; geregeld; regelmatig; steevast
+   gelijkmatig; geregeld; regelmatig; steevast
 
 _____
 
 regularly
 regularly [regjuləliː]
-   dikwĳls; gedurig; menigmaal; vaak; veel; veelal; veeltĳds
+   dikwijls; gedurig; menigmaal; vaak; veel; veelal; veeltijds
    geregeld; regelmatig
 
 _____
@@ -27603,7 +27611,7 @@
 
 reign
 reign [rein]
-   bestuur; bewind; heerschappĳ; regering
+   bestuur; bewind; heerschappij; regering
 
 _____
 
@@ -27628,21 +27636,21 @@
 reject
 reject [ridʒekt]
    afkeuren; invalide verklaren
-   afslaan; afwĳzen; nee zeggen tegen; verwerpen; weigeren; wraken
+   afslaan; afwijzen; nee zeggen tegen; verwerpen; weigeren; wraken
    afstemmen; verwerpen
-   afkeuren; afwĳzen; het verdommen; terugwĳzen; vertikken; weigeren
+   afkeuren; afwijzen; het verdommen; terugwijzen; vertikken; weigeren
 
 _____
 
 rejection
 rejection [ridʒekʃən]
-   afwĳzing; verwerping; wraking
+   afwijzing; verwerping; wraking
 
 _____
 
 rejoice
 rejoice [ridʒɔis]
-   blĳ zĳn; genieten van; zich verblĳden; zich verheugen
+   blij zijn; genieten van; zich verblijden; zich verheugen
 
 _____
 
@@ -27686,15 +27694,15 @@
 
 relative
 relative [relətiv]
-   familielid; verwant; vrouwelĳk familielid; vrouwelĳke verwant
+   familielid; verwant; vrouwelijk familielid; vrouwelijke verwant
    familielid; verwant; bloedverwant
-   betrekkelĳk; relatief
+   betrekkelijk; relatief
 
 _____
 
 relatively
 relatively [relətivliː]
-   aardig; tamelĳk
+   aardig; tamelijk
 
 _____
 
@@ -27726,7 +27734,7 @@
 release [riliːs]
    loslaten; lossen; tappen; uitlaten; vieren; weglaten
    laten; laten begaan; laten schieten; loslaten; toelaten
-   afhelpen; bevrĳden; loslaten; verlossen; vrĳlaten; vrĳmaken
+   afhelpen; bevrijden; loslaten; verlossen; vrijlaten; vrijmaken
    loslaten
 
 _____
@@ -27745,14 +27753,14 @@
 
 relief
 relief [riliːf]
-   opluchting; vergemakkelĳking; verlichting
+   opluchting; vergemakkelijking; verlichting
    opluchting; verademing
 
 _____
 
 relieved
 relieved [riliːvd]
-   opgelucht; vrĳgesteld
+   opgelucht; vrijgesteld
 
 _____
 
@@ -27770,7 +27778,7 @@
 
 relinquish
 relinquish [riliŋkwiʃ]
-   afstaan; het veld ruimen; toegeven; wĳken; zwichten
+   afstaan; het veld ruimen; toegeven; wijken; zwichten
    afzien van
    afstappen van; afzien van
 
@@ -27799,15 +27807,15 @@
 
 remain
 remain [rimein]
-   achterblĳven; nablĳven
-   blĳven; overblĳven; resten; resteren; toeven; verblĳven
+   achterblijven; nablijven
+   blijven; overblijven; resten; resteren; toeven; verblijven
 
 _____
 
 remainder
 remainder [rimeindər]
    overige; rest; resterende
-   afval; overblĳfsel; rest; rommel; staartje
+   afval; overblijfsel; rest; rommel; staartje
    rest
 
 _____
@@ -27815,19 +27823,19 @@
 remaining
 remaining [rimeiniŋ]
    overig; verder
-   blĳvend; over; resterend
+   blijvend; over; resterend
 
 _____
 
 remain in office
 remain in office [rimeininɔfis]
-   aanblĳven
+   aanblijven
 
 _____
 
 remark
 remark [rimɑːk]
-   aanmerking; berisping; blaam; standje; terechtwĳzing
+   aanmerking; berisping; blaam; standje; terechtwijzing
    opmerking
    aanmerking
 
@@ -27835,7 +27843,7 @@
 
 remarkable
 remarkable [rimɑːkəbl]
-   merkwaardig; opmerkelĳk
+   merkwaardig; opmerkelijk
 
 _____
 
@@ -27900,9 +27908,9 @@
 
 remote
 remote [rimout]
-   ver; verwĳderd; ververwĳderd
+   ver; verwijderd; ververwijderd
    afgelegen; apart; geïsoleerd
-   afgelegen; ver; veraf; verafgelegen; verwĳderd; ververwĳderd
+   afgelegen; ver; veraf; verafgelegen; verwijderd; ververwijderd
 
 _____
 
@@ -27933,7 +27941,7 @@
 
 remove
 remove [rimuːv]
-   afschaffen; elimineren; opdoeken; uitmaken; verwĳderen; wegdoen
+   afschaffen; elimineren; opdoeken; uitmaken; verwijderen; wegdoen
 
 _____
 
@@ -28001,7 +28009,7 @@
 rent
 rent [rent]
    huur
-   huur; huurprĳs
+   huur; huurprijs
 
 _____
 
@@ -28025,7 +28033,7 @@
 
 rent money
 rent money [rentmʌniː]
-   huur; huurprĳs
+   huur; huurprijs
 
 _____
 
@@ -28069,7 +28077,7 @@
 
 repayment
 repayment [ripeimənt]
-   afbetalingstermĳn; annuïteit
+   afbetalingstermijn; annuïteit
 
 _____
 
@@ -28088,8 +28096,8 @@
 
 repeatedly
 repeatedly [ripiːtidliː]
-   herhaaldelĳk; meermaals
-   herhaaldelĳk; keer op keer
+   herhaaldelijk; meermaals
+   herhaaldelijk; keer op keer
 
 _____
 
@@ -28107,16 +28115,16 @@
 
 repellent
 repellent [ripelənt]
-   afstotelĳk
+   afstotelijk
    afweermiddel tegen insekten
-   afstotelĳk; onguur
+   afstotelijk; onguur
 
 _____
 
 repelling
 repelling [ripeliŋ]
-   afstotelĳk
-   afstotelĳk; onguur
+   afstotelijk
+   afstotelijk; onguur
 
 _____
 
@@ -28211,7 +28219,7 @@
    berichten; mededelen; meedelen; voortzeggen
    aanbrengen; melden; overbrengen; verslaan; verslag uitbrengen
    exposé; melding; rapport; verslag
-   bekendmaking; bericht; kennisgeving; mare; tĳding; verwittiging
+   bekendmaking; bericht; kennisgeving; mare; tijding; verwittiging
 
 _____
 
@@ -28230,7 +28238,7 @@
 
 represent
 represent [reprizent]
-   afbeelden; uitbeelden; verbeelden; verzinnelĳken; voorstellen
+   afbeelden; uitbeelden; verbeelden; verzinnelijken; voorstellen
    vertegenwoordigen
 
 _____
@@ -28259,8 +28267,8 @@
 reproach
 reproach [riproutʃ]
    afkeuren; berispen; gispen; laken; wraken
-   beknorren; berispen; terechtwĳzen; verwĳten
-   berisping; blaam; standje; terechtwĳzing; uitbrander; verwĳt
+   beknorren; berispen; terechtwijzen; verwijten
+   berisping; blaam; standje; terechtwijzing; uitbrander; verwijt
    berispen; een standje geven; uitkafferen
 
 _____
@@ -28279,15 +28287,15 @@
 
 reproof
 reproof [ripruːf]
-   aanmerking; berisping; blaam; standje; terechtwĳzing
-   terechtwĳzing
+   aanmerking; berisping; blaam; standje; terechtwijzing
+   terechtwijzing
 
 _____
 
 reprove
 reprove [ripruːv]
    afkeuren; berispen; gispen; laken; wraken
-   beknorren; berispen; terechtwĳzen; verwĳten
+   beknorren; berispen; terechtwijzen; verwijten
    berispen; een standje geven; uitkafferen
 
 _____
@@ -28300,7 +28308,7 @@
 
 republic
 republic [ripʌblik]
-   republiek; vrĳstaat
+   republiek; vrijstaat
 
 _____
 
@@ -28319,8 +28327,8 @@
 
 repulsive
 repulsive [ripʌlsiv]
-   afstotelĳk
-   afstotelĳk; onguur
+   afstotelijk
+   afstotelijk; onguur
 
 _____
 
@@ -28346,7 +28354,7 @@
 require
 require [rikwaiər]
    hoeven; behoeven; moeten; nodig hebben
-   eisen; opeisen; rekenen; vereisen; vergen; voorschrĳven; vorderen
+   eisen; opeisen; rekenen; vereisen; vergen; voorschrijven; vorderen
 
 _____
 
@@ -28384,13 +28392,13 @@
 
 resemblance
 resemblance [rizembləns]
-   gelĳkenis; overeenkomst
+   gelijkenis; overeenkomst
 
 _____
 
 resemble
 resemble [rizembl]
-   lĳken; gelĳken; lĳken op
+   lijken; gelijken; lijken op
 
 _____
 
@@ -28414,13 +28422,13 @@
 reserve [rizəːv]
    bespreken; intekenen; reserveren
    aanvragen; bestellen
-   openhouden; reserveren; vrĳhouden
+   openhouden; reserveren; vrijhouden
 
 _____
 
 reservoir
 reservoir [rezəvwɑːr]
-   bassin; kom; stroomgebied; vĳver
+   bassin; kom; stroomgebied; vijver
 
 _____
 
@@ -28433,8 +28441,8 @@
 
 resign
 resign [rizain]
-   abdiceren; abdiqueren; aftreden; zĳn ambt neerleggen
-   aftreden; demissionair zĳn
+   abdiceren; abdiqueren; aftreden; zijn ambt neerleggen
+   aftreden; demissionair zijn
    aftreden; bedanken; uittreden
    afstand doen van; opgeven; uitvallen
 
@@ -28546,7 +28554,7 @@
 
 resplendant
 resplendant [risplendənt]
-   luisterrĳk; opgeprikt; pompeus; weids
+   luisterrijk; opgeprikt; pompeus; weids
 
 _____
 
@@ -28559,23 +28567,23 @@
 
 responsibility
 responsibility [rispɔnsəbilitiː]
-   verantwoordelĳkheid
-   toerekenbaarheid; verantwoordelĳkheid; verantwoording
+   verantwoordelijkheid
+   toerekenbaarheid; verantwoordelijkheid; verantwoording
 
 _____
 
 responsible
 responsible [rispɔnsəbl]
-   verantwoordelĳk
-   aansprakelĳk; verantwoordelĳk
-   aansprakelĳk; toerekenbaar; verantwoordelĳk
+   verantwoordelijk
+   aansprakelijk; verantwoordelijk
+   aansprakelijk; toerekenbaar; verantwoordelijk
 
 _____
 
 rest
 rest [rest]
    berusten
-   afval; overblĳfsel; rest; rommel; staartje
+   afval; overblijfsel; rest; rommel; staartje
    rest
    rusten
    rust
@@ -28654,7 +28662,7 @@
 
 result
 result [rizʌlt]
-   afstammen; het gevolg zĳn van; ontspruiten; voortkomen
+   afstammen; het gevolg zijn van; ontspruiten; voortkomen
    bevinding; effect; resultaat; uitslag
    resulteren; uitkomen; volgen; voortkomen; voortspruiten
    afloop; gevolg; resultaat; uitkomst; uitvloeisel; voortvloeisel
@@ -28693,7 +28701,7 @@
 
 retarded
 retarded [ritɑːdid]
-   achterlĳk
+   achterlijk
 
 _____
 
@@ -28737,7 +28745,7 @@
 
 retouch
 retouch [riːtʌtʃ]
-   bĳwerken; retoucheren
+   bijwerken; retoucheren
 
 _____
 
@@ -28808,16 +28816,16 @@
 
 reverie
 reverie [revəriː]
-   gedroom; gemĳmer; mĳmering
+   gedroom; gemijmer; mijmering
 
 _____
 
 reverse
 reverse [rivəːs]
-   achterzĳde; ommezĳde; rugstuk; rugzĳde
+   achterzijde; ommezijde; rugstuk; rugzijde
    averechts; omgekeerd; tegengesteld
    omgekeerde
-   achterkant; achterzĳde
+   achterkant; achterzijde
 
 _____
 
@@ -28829,8 +28837,8 @@
 
 reverse side
 reverse side [rivəːssaid]
-   achterzĳde; ommezĳde; rugstuk; rugzĳde
-   achterkant; achterzĳde
+   achterzijde; ommezijde; rugstuk; rugzijde
+   achterkant; achterzijde
 
 _____
 
@@ -28844,20 +28852,20 @@
 
 revise
 revise [rivaiz]
-   herzien; inspecteren; nakĳken; reviseren
+   herzien; inspecteren; nakijken; reviseren
 
 _____
 
 revive
 revive [rivaiv]
-   herleven; herrĳzen; opleven
+   herleven; herrijzen; opleven
 
 _____
 
 revolt
 revolt [rivoult]
    in opstand komen; muiten; rebelleren
-   muiterĳ; onlusten; opstand
+   muiterij; onlusten; opstand
 
 _____
 
@@ -28881,7 +28889,7 @@
 
 revue
 revue [rivjuː]
-   periodiek; revue; tĳdschrift
+   periodiek; revue; tijdschrift
 
 _____
 
@@ -28906,7 +28914,7 @@
 
 rhetoric
 rhetoric [retərik]
-   rederĳkerskunst; retoriek
+   rederijkerskunst; retoriek
 
 _____
 
@@ -28954,9 +28962,9 @@
 
 rhyme
 rhyme [raim]
-   rĳmen; berĳmen
-   laten rĳmen; op rĳm zetten
-   rĳm
+   rijmen; berijmen
+   laten rijmen; op rijm zetten
+   rijm
 
 _____
 
@@ -28986,37 +28994,37 @@
 
 ricefarmer
 rice‐farmer
-   rĳstveld
+   rijstveld
 
 _____
 
 ricefield
 rice‐field
-   rĳstveld
+   rijstveld
 
 _____
 
 rice
 rice [rais]
-   rĳst
+   rijst
 
 _____
 
 rice plant
 rice plant [raisplɑːnt]
-   rĳstplant
+   rijstplant
 
 _____
 
 rich
 rich [ritʃ]
-   gefortuneerd; rĳk; vermogend
+   gefortuneerd; rijk; vermogend
 
 _____
 
 rich man
 rich man [ritʃmein]
-   rĳkaard; rĳke
+   rijkaard; rijke
 
 _____
 
@@ -29028,7 +29036,7 @@
 
 rid
 rid [raid]
-   afhelpen; uit een moeilĳkheid helpen
+   afhelpen; uit een moeilijkheid helpen
 
 _____
 
@@ -29040,35 +29048,35 @@
 
 ride
 ride [raid]
-   rĳden
-   gaan; karren; rĳden; varen
+   rijden
+   gaan; karren; rijden; varen
 
 _____
 
 ride a horse
 ride a horse [raidəhɔːs]
-   paardrĳden
+   paardrijden
 
 _____
 
 ride over
 ride over [raidouvər]
-   berĳden
+   berijden
 
 _____
 
 ridicule
 ridicule [ridikjuːl]
    bespotting; persiflage
-   bespotten; zich vrolĳk maken over
-   bespotten; de spot drĳven met; voor de zot houden
-   belachelĳk maken
+   bespotten; zich vrolijk maken over
+   bespotten; de spot drijven met; voor de zot houden
+   belachelijk maken
 
 _____
 
 ridiculous
 ridiculous [ridikjuləs]
-   belachelĳk; gek; lachwekkend; mal; ridicuul; zot
+   belachelijk; gek; lachwekkend; mal; ridicuul; zot
 
 _____
 
@@ -29098,13 +29106,13 @@
 
 righthander
 right‐hander
-   aanhanger van een rechtse partĳ
+   aanhanger van een rechtse partij
 
 _____
 
 righthand side
 right‐hand side
-   rechterkant; rechterzĳde
+   rechterkant; rechterzijde
 
 _____
 
@@ -29113,7 +29121,7 @@
    rechter‐; rechts; vandehands
    naar rechts; rechtsaf; rechtsom
    correct; goed; juist; zuiver
-   gegrond; gelĳk hebbend; juist
+   gegrond; gelijk hebbend; juist
    bevoegdheid; recht
    goed; juist; recht
    juist; net; OK; okee; okay; oké; pal; precies
@@ -29122,13 +29130,13 @@
 
 righteous
 righteous [raitʃəs]
-   billĳk; fair; rechtvaardig
+   billijk; fair; rechtvaardig
 
 _____
 
 righteousness
 righteousness [raitʃəsnəs]
-   billĳkheid; gerechtigheid; rechtvaardigheid
+   billijkheid; gerechtigheid; rechtvaardigheid
 
 _____
 
@@ -29140,31 +29148,31 @@
 
 right away
 right away [raitɔːwei]
-   aanstonds; dadelĳk; meteen; op staande voet; schielĳk; subiet; zo
+   aanstonds; dadelijk; meteen; op staande voet; schielijk; subiet; zo
 
 _____
 
 right now
 right now [raitnau]
-   aanstonds; dadelĳk; meteen; op staande voet; schielĳk; subiet; zo
+   aanstonds; dadelijk; meteen; op staande voet; schielijk; subiet; zo
 
 _____
 
 rigid
 rigid [ridʒid]
-   houterig; star; stĳf; stram; stug
+   houterig; star; stijf; stram; stug
 
 _____
 
 rigor
 rigor [rigər]
-   stĳfheid
+   stijfheid
 
 _____
 
 rigour
 rigour [rigər]
-   stĳfheid
+   stijfheid
    hardheid; strafheid; strengheid
 
 _____
@@ -29229,33 +29237,33 @@
 
 rip
 rip [rip]
-   rĳten; scheuren
+   rijten; scheuren
 
 _____
 
 ripe
 ripe [raip]
-   belegen; bezonken; rĳp
+   belegen; bezonken; rijp
 
 _____
 
 ripen
 ripen [raipən]
-   rĳpen; rĳp worden
+   rijpen; rijp worden
 
 _____
 
 rise
 rise [raiz]
    gaan staan; opstaan
-   opgaan; opkomen; opstaan; rĳzen; stĳgen; verrĳzen; wassen
+   opgaan; opkomen; opstaan; rijzen; stijgen; verrijzen; wassen
    gaan staan; opstaan; zich voordoen
 
 _____
 
 rise to the bait
 rise to the bait [raiztouðbeit]
-   toebĳten; toehappen
+   toebijten; toehappen
 
 _____
 
@@ -29274,7 +29282,7 @@
 
 risky
 risky [riskiː]
-   bedenkelĳk; gewaagd; riskant; waaghalzerig
+   bedenkelijk; gewaagd; riskant; waaghalzerig
 
 _____
 
@@ -29293,16 +29301,16 @@
 
 rival
 rival [raivəl]
-   concurreren; meedingen; wedĳveren
-   wedĳveren
+   concurreren; meedingen; wedijveren
+   wedijveren
    concurrent; mededinger; rivaal
 
 _____
 
 rivalry
 rivalry [raivəlriː]
-   wedĳver
-   mededinging; wedĳver
+   wedijver
+   mededinging; wedijver
 
 _____
 
@@ -29379,7 +29387,7 @@
 rob
 rob [rɔb]
    beroven; uitplunderen
-   bestelen; zich vergrĳpen aan
+   bestelen; zich vergrijpen aan
    buit maken; plunderen; roven; stropen
 
 _____
@@ -29429,7 +29437,7 @@
 
 rockbottom prize
 rock‐bottom prize
-   afbraakprĳs
+   afbraakprijs
 
 _____
 
@@ -29449,13 +29457,13 @@
 
 rocket
 rocket [rɔkit]
-   raket; vuurpĳl
+   raket; vuurpijl
 
 _____
 
 rod
 rod [roud]
-   baar; paal; pĳp; roede; schacht; spĳl; stang
+   baar; paal; pijp; roede; schacht; spijl; stang
    gard; roede; spitsroede; stokje
 
 _____
@@ -29476,7 +29484,7 @@
 rogue
 rogue [roug]
    boef; ellendeling; ploert; schavuit; schurk; smiecht; spitsboef
-   loeder; ploert; rotzak; schoelje; schoft; zwĳnjak
+   loeder; ploert; rotzak; schoelje; schoft; zwijnjak
 
 _____
 
@@ -29507,7 +29515,7 @@
 
 rollerblind
 roller‐blind
-   rolgordĳn; valgordĳn
+   rolgordijn; valgordijn
 
 _____
 
@@ -29525,7 +29533,7 @@
 
 rolling in money
 rolling in money [rouliŋinmʌniː]
-   schatrĳk
+   schatrijk
 
 _____
 
@@ -29587,7 +29595,7 @@
 
 rope
 rope [roup]
-   koord; koorde; lĳn; lĳntje; snoer; touw
+   koord; koorde; lijn; lijntje; snoer; touw
 
 _____
 
@@ -29629,7 +29637,7 @@
 
 rotten
 rotten [rɔtn]
-   lelĳk; rot; shit; shit‐
+   lelijk; rot; shit; shit‐
    bedorven; rot; verrot
 
 _____
@@ -29649,7 +29657,7 @@
 rough
 rough [rau]
    bot; cru; grof; onbehouwen; onbewerkt; rauw; ruig; snauwerig
-   bars; honds; nors; nurks; onaardig; onvriendelĳk; stuurs; zuur
+   bars; honds; nors; nurks; onaardig; onvriendelijk; stuurs; zuur
    bobbelig; bultig; oneffen; ruig; rul; ruw; schraal
 
 _____
@@ -29719,19 +29727,19 @@
 row
 row [rou]
    roeien
-   beurt; file; gelid; reeks; rĳ; toerbeurt
+   beurt; file; gelid; reeks; rij; toerbeurt
 
 _____
 
 rowan
 rowan [rouən]
-   lĳsterbes; lĳsterbessestruik
+   lijsterbes; lijsterbessestruik
 
 _____
 
 rowan berry
 rowan berry [rouənberiː]
-   lĳsterbes
+   lijsterbes
 
 _____
 
@@ -29749,7 +29757,7 @@
 
 royal
 royal [rɔiəl]
-   koninklĳk; vorstelĳk
+   koninklijk; vorstelijk
 
 _____
 
@@ -29767,7 +29775,7 @@
 
 rub
 rub [rʌb]
-   aanstrĳken; wrĳven; uitwrĳven
+   aanstrijken; wrijven; uitwrijven
    boenen; uitschuren
 
 _____
@@ -29789,7 +29797,7 @@
 
 rubbish
 rubbish [rʌbiʃ]
-   absurditeit; onding; ongerĳmdheid; onzin
+   absurditeit; onding; ongerijmdheid; onzin
    afval; rommel; vuil
    afval; rommel; schuim
    afval; bocht; rommel
@@ -29827,7 +29835,7 @@
 
 ruby
 ruby [ruːbiː]
-   robĳn
+   robijn
 
 _____
 
@@ -29878,7 +29886,7 @@
 
 rule
 rule [ruːl]
-   bestuur; bewind; heerschappĳ; regering
+   bestuur; bewind; heerschappij; regering
    besturen; de scepter zwaaien; heersen; regeren
    regel
 
@@ -29932,10 +29940,10 @@
 
 run
 run [rʌn]
-   aanrĳden; voorrĳden
+   aanrijden; voorrijden
    aanloop
    lopen; reiken; zich uitstrekken
-   functioneren; het doen; in zĳn werk gaan; werken
+   functioneren; het doen; in zijn werk gaan; werken
    vlucht
    hardlopen; hollen; racen; rennen; snellen
    hardlopen; hollen; rennen; snellen
@@ -29974,7 +29982,7 @@
 
 run amuck
 run amuck [rʌnəmʌk]
-   amok maken; uit zĳn vel springen
+   amok maken; uit zijn vel springen
 
 _____
 
@@ -29999,25 +30007,25 @@
 run into
 run into [rʌnintə]
    botsen met
-   aanrĳden
+   aanrijden
 
 _____
 
 run over
 run over [rʌnouvər]
-   oprĳden; overrĳden
+   oprijden; overrijden
 
 _____
 
 run up
 run up [rʌnʌp]
-   hĳsen; ophĳsen
+   hijsen; ophijsen
 
 _____
 
 rural
 rural [reərəl]
-   boers; landelĳk
+   boers; landelijk
 
 _____
 
@@ -30108,7 +30116,7 @@
 
 sacred
 sacred [səkəd]
-   gewĳd; heilig; geheiligd; sacraal
+   gewijd; heilig; geheiligd; sacraal
 
 _____
 
@@ -30130,7 +30138,7 @@
    mistroostig; naargeestig; somber; triestig
    droef; bedroefd; droevig; treurig; verdrietig
    bedroefd; treurig; triest; triestig
-   bedroevend; grievend; spĳtig; verdrietelĳk
+   bedroevend; grievend; spijtig; verdrietelijk
    verdrietig
 
 _____
@@ -30187,7 +30195,7 @@
 
 safetylamp
 safety‐lamp
-   mĳnlamp
+   mijnlamp
 
 _____
 
@@ -30212,15 +30220,15 @@
 
 sagacious
 sagacious [səgeiʃəs]
-   bevattelĳk; intelligent; knap; snugger
-   verstandig; vroed; wĳs
+   bevattelijk; intelligent; knap; snugger
+   verstandig; vroed; wijs
 
 _____
 
 sage
 sage [seidʒ]
    salie; salvia
-   verstandig; vroed; wĳs
+   verstandig; vroed; wijs
 
 _____
 
@@ -30259,19 +30267,19 @@
 
 sake
 sake [seik]
-   saké; rĳstwĳn
+   saké; rijstwijn
 
 _____
 
 saki
 saki [seikiː]
-   saké; rĳstwĳn
+   saké; rijstwijn
 
 _____
 
 saké
 saké
-   saké; rĳstwĳn
+   saké; rijstwijn
 
 _____
 
@@ -30327,13 +30335,13 @@
 
 saliva
 saliva [səlaivə]
-   kwĳl; speeksel; spuug; zever
+   kwijl; speeksel; spuug; zever
 
 _____
 
 salivate
 salivate [sæliveit]
-   kwĳlen; speeksel afscheiden; zabberen; zeveren
+   kwijlen; speeksel afscheiden; zabberen; zeveren
 
 _____
 
@@ -30416,7 +30424,7 @@
 
 salvage company
 salvage company [sælvidʒkʌmpəniː]
-   bergingsmaatschappĳ
+   bergingsmaatschappij
 
 _____
 
@@ -30838,7 +30846,7 @@
 
 scarcely
 scarcely [skɛəsəliː]
-   amper; kwalĳk; nauwelĳks; ternauwernood
+   amper; kwalijk; nauwelijks; ternauwernood
 
 _____
 
@@ -30876,7 +30884,7 @@
 
 sceptre
 sceptre [skeptər]
-   rĳksstaf; scepter
+   rijksstaf; scepter
 
 _____
 
@@ -30935,8 +30943,8 @@
 
 school of motoring
 school of motoring [sʃuːlɔfmoutəriŋ]
-   autorĳschool
-   rĳschool; autorĳschool
+   autorijschool
+   rijschool; autorijschool
 
 _____
 
@@ -30954,7 +30962,7 @@
 
 scientific
 scientific [saiəntifik]
-   wetenschappelĳk
+   wetenschappelijk
 
 _____
 
@@ -30974,7 +30982,7 @@
 scold [skould]
    manen; aanmanen; aansporen; vermanen; waarschuwen
    afkeuren; berispen; gispen; laken; wraken
-   beknorren; berispen; terechtwĳzen; verwĳten
+   beknorren; berispen; terechtwijzen; verwijten
    berispen; een standje geven; uitkafferen
 
 _____
@@ -30999,7 +31007,7 @@
 
 scoundrel
 scoundrel [skaundrəl]
-   loeder; ploert; rotzak; schoelje; schoft; zwĳnjak
+   loeder; ploert; rotzak; schoelje; schoft; zwijnjak
 
 _____
 
@@ -31069,7 +31077,7 @@
 
 scream
 scream [skriːm]
-   gil; krĳs; schreeuw
+   gil; krijs; schreeuw
    gieren; joelen; roepen; schreeuwen
 
 _____
@@ -31129,8 +31137,8 @@
 
 scuffle
 scuffle [skʌfl]
-   gevecht; kamp; slag; strĳd; treffen; veldslag
-   gevecht; kloppartĳ; knokpartĳ
+   gevecht; kamp; slag; strijd; treffen; veldslag
+   gevecht; kloppartij; knokpartij
 
 _____
 
@@ -31243,14 +31251,14 @@
 
 seaside
 seaside [siːsaid]
-   kust; kustlĳn; zeekant; zeekust
+   kust; kustlijn; zeekant; zeekust
 
 _____
 
 season
 season [siːzn]
    kruiden; op smaak brengen
-   jaargetĳ; jaargetĳde; seizoen
+   jaargetij; jaargetijde; seizoen
 
 _____
 
@@ -31306,7 +31314,7 @@
 
 secondary
 secondary [sekəndriː]
-   bĳbehorend; bĳkomend; bĳkomstig; erbĳ horend; secundair
+   bijbehorend; bijkomend; bijkomstig; erbij horend; secundair
    ondergeschikt; tweederangs
 
 _____
@@ -31338,8 +31346,8 @@
 
 secret
 secret [siːkrit]
-   confidentie; vertrouwelĳke mededeling; vertrouwelĳkheid
-   geheim; heimelĳk; verborgen; verstolen
+   confidentie; vertrouwelijke mededeling; vertrouwelijkheid
+   geheim; heimelijk; verborgen; verstolen
    geheim
 
 _____
@@ -31365,13 +31373,13 @@
 
 secretly
 secretly [sekrətliː]
-   heimelĳk; in bedekte termen; sluiks; tersluiks
+   heimelijk; in bedekte termen; sluiks; tersluiks
 
 _____
 
 secret code
 secret code [siːkritkoud]
-   cĳfer; geheimschrift
+   cijfer; geheimschrift
 
 _____
 
@@ -31427,7 +31435,7 @@
    aantreffen; ontmoeten; tegemoet treden; tegenkomen; treffen
    zien
    afgaan; bezoeken; opzoeken
-   bezorgd zĳn; zich bekommeren; zorg dragen; zorgen
+   bezorgd zijn; zich bekommeren; zorg dragen; zorgen
 
 _____
 
@@ -31439,25 +31447,25 @@
 
 seek
 seek [siːk]
-   snorren; uitkĳken naar; uitzien naar; zoeken; opzoeken
+   snorren; uitkijken naar; uitzien naar; zoeken; opzoeken
 
 _____
 
 seem
 seem [siːm]
-   lĳken; overkomen; schĳnen; toeschĳnen; voorkomen
+   lijken; overkomen; schijnen; toeschijnen; voorkomen
 
 _____
 
 seemingly
 seemingly [siːmiŋliː]
-   in schĳn; naar het schĳnt; schĳnbaar; ogenschĳnlĳk
+   in schijn; naar het schijnt; schijnbaar; ogenschijnlijk
 
 _____
 
 seemly
 seemly [siːmliː]
-   betamelĳk; gepast; geschikt; passend; toepasselĳk
+   betamelijk; gepast; geschikt; passend; toepasselijk
 
 _____
 
@@ -31469,7 +31477,7 @@
 
 see as
 see as [siːəz]
-   houden voor; verslĳten voor; zien als
+   houden voor; verslijten voor; zien als
 
 _____
 
@@ -31481,7 +31489,7 @@
 
 seize
 seize [siːz]
-   bemachtigen; grĳpen; aangrĳpen; vastgrĳpen
+   bemachtigen; grijpen; aangrijpen; vastgrijpen
    beslag leggen op
    rekwireren; vorderen; opvorderen
 
@@ -31490,7 +31498,7 @@
 seized with emotion
 seized with emotion [siːzdwiðimouʃən]
    aangegrepen; geëmotioneerd
-   aandoenlĳk; aangedaan; geroerd; ontroerd
+   aandoenlijk; aangedaan; geroerd; ontroerd
 
 _____
 
@@ -31623,8 +31631,8 @@
 
 selfless
 selfless [selfləs]
-   aanhankelĳk; gehecht; opofferingsgezind; toegenegen
-   aanhankelĳk; opofferingsgezind
+   aanhankelijk; gehecht; opofferingsgezind; toegenegen
+   aanhankelijk; opofferingsgezind
 
 _____
 
@@ -31679,7 +31687,7 @@
 
 send about his business
 send about his business [sendəbauthaizbiznəs]
-   afschepen; de deur wĳzen
+   afschepen; de deur wijzen
    afschepen
    afpoeieren
 
@@ -31705,7 +31713,7 @@
 
 seniority
 seniority [siːniɔritiː]
-   anciënniteit; diensttĳd
+   anciënniteit; diensttijd
 
 _____
 
@@ -31746,8 +31754,8 @@
 
 sensitive
 sensitive [sensətiv]
-   gevoelig; ontvankelĳk; receptief
-   gevoelig; ontvankelĳk; receptief; vatbaar
+   gevoelig; ontvankelijk; receptief
+   gevoelig; ontvankelijk; receptief; vatbaar
    gevoelig; teergevoelig
    gevoelig
 
@@ -31755,13 +31763,13 @@
 
 sensual
 sensual [senʃeəl]
-   sensueel; wellustig; zinnelĳk
+   sensueel; wellustig; zinnelijk
 
 _____
 
 sensuous
 sensuous [senʃeəs]
-   sensueel; wellustig; zinnelĳk
+   sensueel; wellustig; zinnelijk
 
 _____
 
@@ -31793,7 +31801,7 @@
 
 separate
 separate [sepəreit]
-   afgezonderd; afzonderlĳk; bĳzonder; los
+   afgezonderd; afzonderlijk; bijzonder; los
    afzonderen; scheiden; afscheiden; schiften
    scheiden
    scheiden; uiteengaan; vaneengaan; zich verspreiden
@@ -31804,7 +31812,7 @@
 
 separately
 separately [sepərætiːliː]
-   afzonderlĳk; apart; gescheiden; terzĳde; vaneen
+   afzonderlijk; apart; gescheiden; terzijde; vaneen
 
 _____
 
@@ -31850,14 +31858,14 @@
 
 serf
 serf [səːf]
-   horige; lĳfeigene
-   horige; lĳfeigene; onvrĳe
+   horige; lijfeigene
+   horige; lijfeigene; onvrije
 
 _____
 
 serfdom
 serfdom [səːfdəm]
-   herendienst; lĳfeigenschap
+   herendienst; lijfeigenschap
 
 _____
 
@@ -31882,8 +31890,8 @@
 
 serious
 serious [siəriəs]
-   belangrĳk; erg; ernstig; voornaam; zwaar; zwaarwichtig
-   angstig; bang; bedenkelĳk; zorgbarend; zorgwekkend
+   belangrijk; erg; ernstig; voornaam; zwaar; zwaarwichtig
+   angstig; bang; bedenkelijk; zorgbarend; zorgwekkend
    bona fide; ernstig; serieus; stemmig
 
 _____
@@ -31918,7 +31926,7 @@
 serve [səːv]
    serveren; voorleggen
    dienst hebben; wacht hebben
-   dienen; bedienen; helpen; van dienst zĳn
+   dienen; bedienen; helpen; van dienst zijn
    aankaarten; opdienen; serveren
 
 _____
@@ -31945,7 +31953,7 @@
 
 servitude
 servitude [səːvitjuːd]
-   herendienst; lĳfeigenschap
+   herendienst; lijfeigenschap
 
 _____
 
@@ -32063,13 +32071,13 @@
 several
 several [sevrəl]
    diverse; verscheidene
-   diverse; ettelĳke; verscheidene
+   diverse; ettelijke; verscheidene
 
 _____
 
 several times
 several times [sevrəltaimz]
-   bĳ wĳlen; soms; somtĳds; wel eens
+   bij wijlen; soms; somtijds; wel eens
 
 _____
 
@@ -32161,7 +32169,7 @@
 
 sexual
 sexual [sekʃeəl]
-   generatief; geslachtelĳk; seksueel; sexueel
+   generatief; geslachtelijk; seksueel; sexueel
 
 _____
 
@@ -32218,8 +32226,8 @@
 
 shaft
 shaft [ʃɑːft]
-   as; drĳfas
-   schacht; mĳnschacht
+   as; drijfas
+   schacht; mijnschacht
 
 _____
 
@@ -32301,7 +32309,7 @@
 
 shameful
 shameful [ʃeimfəl]
-   schandelĳk
+   schandelijk
 
 _____
 
@@ -32402,7 +32410,7 @@
 
 sharpen
 sharpen [ʃɑːpən]
-   aanzetten; slĳpen; scherpen; verhevigen; wetten
+   aanzetten; slijpen; scherpen; verhevigen; wetten
 
 _____
 
@@ -32414,7 +32422,7 @@
 
 shatter
 shatter [ʃætər]
-   intrappen; verbrĳzelen; vermorzelen; verpletteren
+   intrappen; verbrijzelen; vermorzelen; verpletteren
 
 _____
 
@@ -32469,7 +32477,7 @@
 
 she
 she [ʃou]
-   'r; d'r; haar; ze; zĳ
+   'r; d'r; haar; ze; zij
 
 _____
 
@@ -32508,7 +32516,7 @@
 
 sheen
 sheen [ʃiːn]
-   glans; schĳn; schittering; pracht
+   glans; schijn; schittering; pracht
 
 _____
 
@@ -32636,14 +32644,14 @@
 
 shine
 shine [ʃain]
-   blinken; glanzen; schĳnen; schitteren
-   aan zĳn; lichten; licht geven; schĳnen
+   blinken; glanzen; schijnen; schitteren
+   aan zijn; lichten; licht geven; schijnen
 
 _____
 
 shine upon
 shine upon [ʃainəpɔn]
-   belichten; beschĳnen; overschĳnen
+   belichten; beschijnen; overschijnen
    bestralen
 
 _____
@@ -32725,7 +32733,7 @@
 
 shoelace
 shoe‐lace
-   nestel; veter; rĳgveter
+   nestel; veter; rijgveter
    schoenveter
 
 _____
@@ -32757,7 +32765,7 @@
 
 shoo
 shoo [ʃuː]
-   drĳven; aandrĳven; opjagen; voortdrĳven
+   drijven; aandrijven; opjagen; voortdrijven
 
 _____
 
@@ -32808,7 +32816,7 @@
 
 shore
 shore [ʃɔːr]
-   kust; kustlĳn; zeekant; zeekust
+   kust; kustlijn; zeekant; zeekust
 
 _____
 
@@ -32820,7 +32828,7 @@
 
 shortsighted
 short‐sighted
-   bĳziend; kippig; kortzichtig
+   bijziend; kippig; kortzichtig
 
 _____
 
@@ -32852,7 +32860,7 @@
 
 shortening of working hours
 shortening of working hours [ʃɔːtniŋɔfwəːkiŋauəz]
-   arbeidstĳdverkorting; werktĳdverkorting
+   arbeidstijdverkorting; werktijdverkorting
 
 _____
 
@@ -32949,10 +32957,10 @@
 
 show
 show [ʃou]
-   laten blĳken; manifesteren
-   laten zien; tentoonspreiden; tonen; vertonen; wĳzen; uitwĳzen
+   laten blijken; manifesteren
+   laten zien; tentoonspreiden; tonen; vertonen; wijzen; uitwijzen
    aanduiden; aangeven; een teken geven; merken; kenmerken; tekenen
-   kĳkspel; schouwspel; spektakel; vertoning
+   kijkspel; schouwspel; spektakel; vertoning
 
 _____
 
@@ -33002,7 +33010,7 @@
 
 shrew
 shrew [ʃruː]
-   feeks; furie; haaibaai; helleveeg; megera; tang; wĳf; xantippe
+   feeks; furie; haaibaai; helleveeg; megera; tang; wijf; xantippe
 
 _____
 
@@ -33022,7 +33030,7 @@
 shrill
 shrill [ʃril]
    bits; snibbig
-   krĳsend; schel; schelklinkend; schril
+   krijsend; schel; schelklinkend; schril
 
 _____
 
@@ -33060,7 +33068,7 @@
 
 shrug
 shrug [ʃrʌg]
-   de schouders ophalen; zĳn schouders ophalen
+   de schouders ophalen; zijn schouders ophalen
 
 _____
 
@@ -33143,20 +33151,20 @@
 
 sidebranch
 side‐branch
-   zĳtak
+   zijtak
 
 _____
 
 sideissue
 side‐issue
-   aanhangsel; bĳkomstigheid; bĳwerk; bĳzaak
+   aanhangsel; bijkomstigheid; bijwerk; bijzaak
 
 _____
 
 sideway
 side‐way
-   zĳweg
-   afslag; zĳweg
+   zijweg
+   afslag; zijweg
 
 _____
 
@@ -33168,9 +33176,9 @@
 
 side
 side [said]
-   bĳ‐; minder belangrĳk; ver; zĳ‐; zĳdelings
-   flank; kant; zĳ; zĳde; zĳkant
-   partĳ; stem
+   bij‐; minder belangrijk; ver; zij‐; zijdelings
+   flank; kant; zij; zijde; zijkant
+   partij; stem
 
 _____
 
@@ -33182,7 +33190,7 @@
 
 sideissue
 sideissue [saidiːiʃuː]
-   bĳzaak
+   bijzaak
 
 _____
 
@@ -33200,7 +33208,7 @@
 
 sideshow
 sideshow [saidʃou]
-   bĳzaak
+   bijzaak
 
 _____
 
@@ -33212,7 +33220,7 @@
 
 side with
 side with [saidwið]
-   partĳ kiezen voor
+   partij kiezen voor
 
 _____
 
@@ -33242,7 +33250,7 @@
 
 sight
 sight [sait]
-   aanblik; aanzien; air; schĳn; uiterlĳk; verschĳning; voorkomen
+   aanblik; aanzien; air; schijn; uiterlijk; verschijning; voorkomen
    richtmiddel; vizier; zoeker
    zicht; gezicht; gezichtsvermogen
 
@@ -33276,10 +33284,10 @@
 sign [sain]
    teken; voorbode; voorteken
    omen; voorteken
-   adstructie; bewĳs; teken
+   adstructie; bewijs; teken
    sein; signaal; teken
-   bewĳs; blĳk; teken; merkteken; wenk
-   onderschrĳven; tekenen; ondertekenen
+   bewijs; blijk; teken; merkteken; wenk
+   onderschrijven; tekenen; ondertekenen
 
 _____
 
@@ -33287,7 +33295,7 @@
 signal [signəl]
    een sein geven; seinen
    sein; signaal; teken
-   bewĳs; blĳk; teken; merkteken; wenk
+   bewijs; blijk; teken; merkteken; wenk
 
 _____
 
@@ -33318,7 +33326,7 @@
 
 signpost
 signpost [sainpoust]
-   wegwĳzer
+   wegwijzer
 
 _____
 
@@ -33331,19 +33339,19 @@
 silence
 silence [sailəns]
    kalmte; rust; rustigheid; stilte
-   rust; stilte; stilzwĳgen
+   rust; stilte; stilzwijgen
 
 _____
 
 silent
 silent [sailənt]
-   stil; zwĳgend; stilzwĳgend
+   stil; zwijgend; stilzwijgend
 
 _____
 
 silently
 silently [silentliː]
-   stil; zwĳgend
+   stil; zwijgend
 
 _____
 
@@ -33361,26 +33369,26 @@
 
 silk
 silk‐
-   zĳden
+   zijden
 
 _____
 
 silk
 silk [silk]
-   zĳden
-   zĳ; zĳde
+   zijden
+   zij; zijde
 
 _____
 
 silken
 silken [silkən]
-   zĳden
+   zijden
 
 _____
 
 silkworm
 silkworm [silkwəːm]
-   zĳderups; zĳdeworm
+   zijderups; zijdeworm
 
 _____
 
@@ -33392,7 +33400,7 @@
 
 silliness
 silliness [silinəs]
-   frivoliteit; ĳdelheid
+   frivoliteit; ijdelheid
 
 _____
 
@@ -33423,14 +33431,14 @@
 
 similar
 similar [similər]
-   gelĳksoortig; soortgelĳk
-   eender; gelĳkend; gelĳksoortig; gelĳkvormig; soortgelĳk
+   gelijksoortig; soortgelijk
+   eender; gelijkend; gelijksoortig; gelijkvormig; soortgelijk
 
 _____
 
 similarity
 similarity [similæritiː]
-   gelĳkenis; overeenkomst
+   gelijkenis; overeenkomst
 
 _____
 
@@ -33460,7 +33468,7 @@
 
 simultaneous
 simultaneous [simlteiniəs]
-   eigentĳds; gelĳktĳdig; simultaan
+   eigentijds; gelijktijdig; simultaan
 
 _____
 
@@ -33477,7 +33485,7 @@
    sedert; sinds
    met ingang van; sedert; vanaf
    al vanaf; sinds
-   aangezien; daar; omdat; vermits; want; wĳl
+   aangezien; daar; omdat; vermits; want; wijl
 
 _____
 
@@ -33537,7 +33545,7 @@
    alleenstaande
    alleenstaand
    enkel
-   afzonderlĳk; alleen; eenzaam
+   afzonderlijk; alleen; eenzaam
 
 _____
 
@@ -33555,7 +33563,7 @@
 
 singly
 singly [siŋliː]
-   alleen; in zĳn eentje; één per keer
+   alleen; in zijn eentje; één per keer
 
 _____
 
@@ -33583,7 +33591,7 @@
 
 sir
 sir [saiər]
-   meneer; mĳnheer
+   meneer; mijnheer
 
 _____
 
@@ -33688,7 +33696,7 @@
 
 sizable
 sizable [saizəbl]
-   aanmerkelĳk; aanzienlĳk; geruim
+   aanmerkelijk; aanzienlijk; geruim
 
 _____
 
@@ -33702,8 +33710,8 @@
 
 skate
 skate [skeit]
-   glĳmiddel; schaats
-   schaatsen; schaatsenrĳden
+   glijmiddel; schaats
+   schaatsen; schaatsenrijden
    schaats
    rog
    schaatsen
@@ -33725,7 +33733,7 @@
 
 skeptical
 skeptical [skeptikl]
-   sceptisch; twĳfelzuchtig
+   sceptisch; twijfelzuchtig
 
 _____
 
@@ -33745,7 +33753,7 @@
 
 skid
 skid [skid]
-   slippen; uitglĳden
+   slippen; uitglijden
    een schuiver maken; gieren; slippen
 
 _____
@@ -33864,7 +33872,7 @@
 
 skylight
 skylight [skailait]
-   dakraam; luik; patrĳspoort
+   dakraam; luik; patrijspoort
 
 _____
 
@@ -33942,7 +33950,7 @@
 
 slaughterhouse
 slaughterhouse [slɔːtəhaus]
-   abattoir; slachterĳ; slachthuis
+   abattoir; slachterij; slachthuis
 
 _____
 
@@ -33981,7 +33989,7 @@
 
 sleepingcar
 sleeping‐car
-   slaaprĳtuig; slaapwagen
+   slaaprijtuig; slaapwagen
 
 _____
 
@@ -34031,8 +34039,8 @@
 
 slice
 slice [slais]
-   filet; moot; plak; schĳf; snede; snee; sneetje
-   snerpen; snĳden
+   filet; moot; plak; schijf; snede; snee; sneetje
+   snerpen; snijden
 
 _____
 
@@ -34058,8 +34066,8 @@
 
 slip
 slip [slip]
-   slippen; uitglĳden
-   glibberen; glĳden; glippen; schuiven; uitglĳden
+   slippen; uitglijden
+   glibberen; glijden; glippen; schuiven; uitglijden
    fiche; kaart; kaartje
 
 _____
@@ -34072,7 +34080,7 @@
 
 slippery
 slippery [slipəriː]
-   glad; glibberig; ongrĳpbaar
+   glad; glibberig; ongrijpbaar
 
 _____
 
@@ -34084,13 +34092,13 @@
 
 slobber
 slobber [slɔbər]
-   kwĳlen
+   kwijlen
 
 _____
 
 slogan
 slogan [slougən]
-   devies; leus; leuze; lĳfspreuk; wapenspreuk; zinspreuk
+   devies; leus; leuze; lijfspreuk; wapenspreuk; zinspreuk
 
 _____
 
@@ -34156,7 +34164,7 @@
 slowly
 slowly [slauliː]
    langzaam
-   langzaam; op zĳn gemak; zachtjes; zoetjes
+   langzaam; op zijn gemak; zachtjes; zoetjes
 
 _____
 
@@ -34300,7 +34308,7 @@
 
 smash
 smash [smæʃ]
-   intrappen; verbrĳzelen; vermorzelen; verpletteren
+   intrappen; verbrijzelen; vermorzelen; verpletteren
 
 _____
 
@@ -34348,7 +34356,7 @@
 
 smith
 smith [smiθ]
-   smid; ĳzersmid
+   smid; ijzersmid
 
 _____
 
@@ -34379,8 +34387,8 @@
 
 smokestack
 smokestack [smoukstæk]
-   kachelpĳp; schoorsteen; schoorsteenpĳp; rookkanaal
-   schoorsteen; schoorsteenpĳp
+   kachelpijp; schoorsteen; schoorsteenpijp; rookkanaal
+   schoorsteen; schoorsteenpijp
 
 _____
 
@@ -34392,9 +34400,9 @@
 
 smooth
 smooth [smuːθ]
-   effen; gelĳk; vlak
-   effen; gelĳk; glad; sluik; zonder moeilĳkheden; vlot
-   banen; effenen; gladmaken; gladstrĳken; uitstrĳken
+   effen; gelijk; vlak
+   effen; gelijk; glad; sluik; zonder moeilijkheden; vlot
+   banen; effenen; gladmaken; gladstrijken; uitstrijken
 
 _____
 
@@ -34462,7 +34470,7 @@
 
 sneer
 sneer [sniər]
-   ginnegappen; grĳnslachen; spotlachen
+   ginnegappen; grijnslachen; spotlachen
 
 _____
 
@@ -34575,7 +34583,7 @@
 so
 so [sou]
    opdat
-   bĳgevolg; derhalve; dus; zodoende
+   bijgevolg; derhalve; dus; zodoende
    zo; zodanig; zozeer
    even; zo
    dermate; dusdanig; zo
@@ -34617,7 +34625,7 @@
 
 sobriquet
 sobriquet [soubrikei]
-   bĳnaam
+   bijnaam
 
 _____
 
@@ -34635,7 +34643,7 @@
 
 social
 social [souʃl]
-   maatschappelĳk; sociaal
+   maatschappelijk; sociaal
 
 _____
 
@@ -34655,7 +34663,7 @@
 society [səsaiətiː]
    club; sociëteit
    genootschap; gezelschap; krans; kring; sociëteit; vereniging
-   gemeenschap; maatschappĳ; samenleving
+   gemeenschap; maatschappij; samenleving
 
 _____
 
@@ -34667,7 +34675,7 @@
 
 sociology
 sociology [souʃiɔlədʒiː]
-   maatschappĳleer; sociologie
+   maatschappijleer; sociologie
 
 _____
 
@@ -34716,7 +34724,7 @@
 
 soft
 soft [sɔft]
-   liefelĳk; zacht; zoet
+   liefelijk; zacht; zoet
    mals; murw; week; zacht
 
 _____
@@ -34739,7 +34747,7 @@
    aarde; bodem; fond; grond; ondergrond; voedingsbodem
    bekladden; bezoedelen; smetten; vlekken; bevlekken
    bevlekken; bevuilen; bezoedelen; verontreinigen; vuilmaken
-   aarde; aardrĳk; bodem; grond; land
+   aarde; aardrijk; bodem; grond; land
 
 _____
 
@@ -34787,7 +34795,7 @@
 solemnity
 solemnity [səlemnitiː]
    plechtigheid
-   plechtigheid; statigheid; wĳding
+   plechtigheid; statigheid; wijding
 
 _____
 
@@ -34817,7 +34825,7 @@
 
 solid
 solid [sɔlid]
-   degelĳk; deugdelĳk; flink; gedegen; hecht; solide; vast
+   degelijk; deugdelijk; flink; gedegen; hecht; solide; vast
 
 _____
 
@@ -34881,7 +34889,7 @@
 
 some
 some [sʌm]
-   een beetje; een weinig; enigszins; nogal; tamelĳk; wat
+   een beetje; een weinig; enigszins; nogal; tamelijk; wat
    een of ander; een of andere; enig; iemand
    enige; sommige; sommigen
    een hoeveelheid; enig; wat
@@ -34897,7 +34905,7 @@
 
 somehow
 somehow [sɔmhau]
-   op de een of andere manier; op een of andere wĳze
+   op de een of andere manier; op een of andere wijze
 
 _____
 
@@ -34940,7 +34948,7 @@
 sometimes
 sometimes [səmetaimz]
    eens; op een keer
-   bĳ wĳlen; soms; somtĳds; wel eens
+   bij wijlen; soms; somtijds; wel eens
 
 _____
 
@@ -34952,7 +34960,7 @@
 
 somewhat
 somewhat [soumwɔt]
-   een beetje; een weinig; enigszins; nogal; tamelĳk; wat
+   een beetje; een weinig; enigszins; nogal; tamelijk; wat
 
 _____
 
@@ -35019,13 +35027,13 @@
 
 sonorous
 sonorous [sənɔːrəs]
-   klankrĳk; stemhebbend
+   klankrijk; stemhebbend
 
 _____
 
 sonourous
 sonourous [sɔnərəs]
-   klankrĳk; stemhebbend
+   klankrijk; stemhebbend
 
 _____
 
@@ -35074,7 +35082,7 @@
 
 sorcery
 sorcery [sɔːsəriː]
-   toverĳ
+   toverij
 
 _____
 
@@ -35086,7 +35094,7 @@
 
 sore throat
 sore throat [sɔːrθrout]
-   keelpĳn
+   keelpijn
 
 _____
 
@@ -35147,7 +35155,7 @@
    zuur
    verzuren; zuur worden
    wrang
-   bars; honds; nors; nurks; onaardig; onvriendelĳk; stuurs; zuur
+   bars; honds; nors; nurks; onaardig; onvriendelijk; stuurs; zuur
 
 _____
 
@@ -35165,7 +35173,7 @@
 
 south
 south [sauθ]
-   zuidelĳk
+   zuidelijk
    naar het zuiden; zuidwaarts
    zuiden
 
@@ -35173,7 +35181,7 @@
 
 southern
 southern [sʌðən]
-   zuidelĳk
+   zuidelijk
 
 _____
 
@@ -35232,7 +35240,7 @@
 so so
 so so [sousou]
    zo zo
-   redelĳk wel; zo zo
+   redelijk wel; zo zo
 
 _____
 
@@ -35244,7 +35252,7 @@
 
 so to speak
 so to speak [soutouspiːk]
-   bĳ wĳze van spreken; om zo te zeggen; zogezegd
+   bij wijze van spreken; om zo te zeggen; zogezegd
 
 _____
 
@@ -35269,7 +35277,7 @@
 
 spacious
 spacious [speiʃəs]
-   breedvoerig; groot; royaal; ruim; uitgebreid; uitgestrekt; wĳd
+   breedvoerig; groot; royaal; ruim; uitgebreid; uitgestrekt; wijd
 
 _____
 
@@ -35296,7 +35304,7 @@
 
 spare
 spare [spɛər]
-   ontzien; sparen; toegeeflĳk zĳn voor; zich laten vermurwen
+   ontzien; sparen; toegeeflijk zijn voor; zich laten vermurwen
    bezuinigen; sparen; besparen; uitsparen; uitwinnen; uitzuinigen
 
 _____
@@ -35376,8 +35384,8 @@
 
 special
 special [speʃl]
-   afgezonderd; afzonderlĳk; bĳzonder; los
-   bĳzonder; speciaal
+   afgezonderd; afzonderlijk; bijzonder; los
+   bijzonder; speciaal
 
 _____
 
@@ -35396,7 +35404,7 @@
 
 specially
 specially [spəʃiɔːliː]
-   in het bĳzonder; inzonderheid; speciaal; vooral
+   in het bijzonder; inzonderheid; speciaal; vooral
 
 _____
 
@@ -35408,7 +35416,7 @@
 
 specific
 specific [spəsifik]
-   soortelĳk; specifiek
+   soortelijk; specifiek
    specifiek
 
 _____
@@ -35433,7 +35441,7 @@
 
 spectacle
 spectacle [spektəkl]
-   kĳkspel; schouwspel; spektakel; vertoning
+   kijkspel; schouwspel; spektakel; vertoning
 
 _____
 
@@ -35445,7 +35453,7 @@
 
 spectator
 spectator [spekteitər]
-   beschouwer; kĳker; toeschouwer
+   beschouwer; kijker; toeschouwer
    toeschouwer
 
 _____
@@ -35498,7 +35506,7 @@
 
 speedwell
 speedwell [spiːdwel]
-   ereprĳs
+   ereprijs
 
 _____
 
@@ -35538,7 +35546,7 @@
 spend
 spend [spend]
    besteden; spanderen; spenderen; uitgeven; verteren
-   aangeven; aanreiken; doorbrengen; verdrĳven
+   aangeven; aanreiken; doorbrengen; verdrijven
 
 _____
 
@@ -35569,7 +35577,7 @@
 spice
 spice [spais]
    kruiden
-   kruid; kruiderĳ; specerĳ
+   kruid; kruiderij; specerij
 
 _____
 
@@ -35611,7 +35619,7 @@
 
 spindle
 spindle [spindl]
-   as; drĳfas
+   as; drijfas
    spoel
 
 _____
@@ -35644,7 +35652,7 @@
 spirit
 spirit [spirit]
    geest
-   animo; bedrĳvigheid; drukte; opgewektheid; tierigheid; vertier
+   animo; bedrijvigheid; drukte; opgewektheid; tierigheid; vertier
 
 _____
 
@@ -35656,7 +35664,7 @@
 
 spiritual
 spiritual [spiritʃeəl]
-   geestelĳk
+   geestelijk
 
 _____
 
@@ -35709,8 +35717,8 @@
 
 split
 split [split]
-   klieven; doorklieven; kloven; splĳten
-   barsten; scheuren; splĳten
+   klieven; doorklieven; kloven; splijten
+   barsten; scheuren; splijten
    splinteren; versplinteren
 
 _____
@@ -35882,7 +35890,7 @@
    ontspringen; opborrelen; opwellen; voortkomen; wellen; opwellen
    bron; wel; kwel; welput
    lente; voorjaar
-   veer; drĳfveer; springveer
+   veer; drijfveer; springveer
    springen
 
 _____
@@ -35928,13 +35936,13 @@
 
 sprucefir
 spruce‐fir
-   spar; fĳnspar; sparreboom
+   spar; fijnspar; sparreboom
 
 _____
 
 spruce
 spruce [spruːs]
-   spar; fĳnspar; sparreboom
+   spar; fijnspar; sparreboom
 
 _____
 
@@ -35981,13 +35989,13 @@
    gluren; begluren; loeren; spieden; spioneren
    begluren
    beloeren; spieden; bespieden; spioneren; bespioneren; verspieden
-   bespieder; pottekĳker; spion; verspieder
+   bespieder; pottekijker; spion; verspieder
 
 _____
 
 spy on
 spy on [spaiwʌn]
-   bespioneren; op de uitkĳk staan
+   bespioneren; op de uitkijk staan
 
 _____
 
@@ -36033,7 +36041,7 @@
 
 square mile
 square mile [skwɛərmail]
-   vierkante mĳl
+   vierkante mijl
 
 _____
 
@@ -36070,13 +36078,13 @@
 
 squeeze out
 squeeze out [skwiːzaut]
-   persen; uitdrukken; uitknĳpen; uitpersen
+   persen; uitdrukken; uitknijpen; uitpersen
 
 _____
 
 squint
 squint [skwint]
-   loensen; scheelkĳken; scheelzien
+   loensen; scheelkijken; scheelzien
 
 _____
 
@@ -36116,7 +36124,7 @@
 stableman
 stableman [steiblmən]
    groom; piccolo; stalknecht
-   paardeknecht; rĳknecht; stalknecht
+   paardeknecht; rijknecht; stalknecht
 
 _____
 
@@ -36158,7 +36166,7 @@
 stage [steidʒ]
    bestuur; leiding; podium; tribune; verhevenheid; verhoging
    etappe
-   fase; kwartier; schĳngestalte
+   fase; kwartier; schijngestalte
    toneel; schouwtoneel
    halte; statie; station
    etappe; overnachtingsplaats; stadie; stadium
@@ -36206,14 +36214,14 @@
 
 stake
 stake [steik]
-   paal; post; deurpost; stĳl
+   paal; post; deurpost; stijl
    paal; heipaal; staak
 
 _____
 
 stale
 stale [steil]
-   adellĳk; benauwd; goor; gortig; muf; oud; oudbakken; smoezelig
+   adellijk; benauwd; goor; gortig; muf; oud; oudbakken; smoezelig
    aal; aalt; gier
    afgezaagd
 
@@ -36222,8 +36230,8 @@
 stalk
 stalk [stɔːk]
    halm
-   schrĳden
-   lopen; schrĳden; stappen; treden
+   schrijden
+   lopen; schrijden; stappen; treden
    halm; steel; stengel
    halm; spier; spriet; stengel
    besluipen
@@ -36266,19 +36274,19 @@
 stamp [stæmp]
    muntstempel
    frankeerzegel; postzegel
-   aanmunten; afdrukken; slaan; stempelen; zĳn stempel drukken op
+   aanmunten; afdrukken; slaan; stempelen; zijn stempel drukken op
 
 _____
 
 stamped
 stamped [stæmpt]
-   gefrankeerd; portvrĳ; vrachtvrĳ
+   gefrankeerd; portvrij; vrachtvrij
 
 _____
 
 stanchion
 stanchion [stæntʃən]
-   paal; post; deurpost; stĳl
+   paal; post; deurpost; stijl
 
 _____
 
@@ -36370,7 +36378,7 @@
 
 starch
 starch [stɑːtʃ]
-   appret; stĳfmiddel
+   appret; stijfmiddel
 
 _____
 
@@ -36407,7 +36415,7 @@
 start
 start [stɑːt]
    aanzetten; aanzetten tot; activeren
-   aan de praat krĳgen; aanzetten; op gang brengen
+   aan de praat krijgen; aanzetten; op gang brengen
    beginnen; een aanvang nemen
    begin
    opspringen
@@ -36457,7 +36465,7 @@
 
 start out
 start out [stɑːtaut]
-   opstappen; op weg gaan; tĳgen; weggaan
+   opstappen; op weg gaan; tijgen; weggaan
 
 _____
 
@@ -36477,9 +36485,9 @@
 state [steit]
    beweren; verzekeren
    aangeven; betuigen; declareren; verklaren
-   rĳk; staat
+   rijk; staat
    constellatie; gesteldheid; situatie; staat; stand; toestand
-   rĳk; staat
+   rijk; staat
 
 _____
 
@@ -36540,15 +36548,15 @@
 
 stayathome
 stay‐at‐home
-   hokvast; honkvast; huiselĳk
+   hokvast; honkvast; huiselijk
 
 _____
 
 stay
 stay [stei]
    logeren
-   oponthoud; verblĳf
-   blĳven; overblĳven; resten; resteren; toeven; verblĳven
+   oponthoud; verblijf
+   blijven; overblijven; resten; resteren; toeven; verblijven
 
 _____
 
@@ -36560,21 +36568,21 @@
 
 stay on
 stay on [steiwʌn]
-   achterblĳven; nablĳven
-   aanblĳven; blĳven branden
-   aanblĳven
+   achterblijven; nablijven
+   aanblijven; blijven branden
+   aanblijven
 
 _____
 
 stay over
 stay over [steiouvər]
-   blĳven; overblĳven; resten; resteren; toeven; verblĳven
+   blijven; overblijven; resten; resteren; toeven; verblijven
 
 _____
 
 stay with
 stay with [steiwið]
-   logeren; te gast zĳn
+   logeren; te gast zijn
 
 _____
 
@@ -36601,7 +36609,7 @@
 
 stealthily
 stealthily [stelthiliː]
-   sluiks; steelsgewĳs; tersluiks
+   sluiks; steelsgewijs; tersluiks
 
 _____
 
@@ -36733,7 +36741,7 @@
 
 step
 step [step]
-   lopen; schrĳden; stappen; treden
+   lopen; schrijden; stappen; treden
    pas; schrede; stap; tred; voetstap
    opstap; opstapje; tree; treeplank; trede
 
@@ -36762,7 +36770,7 @@
 sterile
 sterile [sterail]
    onvruchtbaar
-   kiemvrĳ; onvruchtbaar; steriel
+   kiemvrij; onvruchtbaar; steriel
 
 _____
 
@@ -36830,7 +36838,7 @@
    aanhangen; kleven; vastkleven
    staafje; stokje
    staf; stok
-   lĳmen; hechten; plakken
+   lijmen; hechten; plakken
    kleven; plakken
 
 _____
@@ -36857,7 +36865,7 @@
 stiff
 stiff [stif]
    afgemeten; ceremonieel; plechtig; plechtstatig
-   houterig; star; stĳf; stram; stug
+   houterig; star; stijf; stram; stug
 
 _____
 
@@ -36952,9 +36960,9 @@
 
 stir
 stir [stəːr]
-   aangrĳpen; bewegen; ontroeren
+   aangrijpen; bewegen; ontroeren
    roeren; doorroeren; omroeren
-   animo; bedrĳvigheid; drukte; opgewektheid; tierigheid; vertier
+   animo; bedrijvigheid; drukte; opgewektheid; tierigheid; vertier
 
 _____
 
@@ -37012,14 +37020,14 @@
 
 stoic
 stoic [stouik]
-   stoïcĳns; stoïsch
-   stoïcĳn
+   stoïcijns; stoïsch
+   stoïcijn
 
 _____
 
 stoical
 stoical [stouikl]
-   stoïcĳns; stoïsch
+   stoïcijns; stoïsch
 
 _____
 
@@ -37037,8 +37045,8 @@
 
 stomach ache
 stomach ache [stʌməkeik]
-   maagpĳn
-   buikpĳn
+   maagpijn
+   buikpijn
 
 _____
 
@@ -37111,13 +37119,13 @@
 stop [stɔp]
    logeren
    halte; pleisterplaats; stopplaats
-   afslaan; blĳven staan; halthouden; stilhouden; stilstaan; stoppen
+   afslaan; blijven staan; halthouden; stilhouden; stilstaan; stoppen
    aanhouden; keren; stilleggen; stilzetten; stoppen; stuiten
    afzetten; buiten werking stellen; stilzetten; stopzetten
    afzetten; uitschakelen; uitzetten
    halte; statie; station
    stop
-   aflaten; ophouden; stoppen; uitscheiden; wĳken
+   aflaten; ophouden; stoppen; uitscheiden; wijken
    10.afbreken; opbreken; opheffen; staken; stelpen; stoppen; stopzetten
 
 _____
@@ -37203,7 +37211,7 @@
 
 stout
 stout [staut]
-   corpulent; gezet; zwaarlĳvig
+   corpulent; gezet; zwaarlijvig
 
 _____
 
@@ -37223,7 +37231,7 @@
 
 straggler
 straggler [stræglər]
-   achterblĳver
+   achterblijver
 
 _____
 
@@ -37259,7 +37267,7 @@
 
 straight past
 straight past [streitpɑːst]
-   langs; voorbĳ
+   langs; voorbij
 
 _____
 
@@ -37295,7 +37303,7 @@
 
 straitened
 straitened [streitnd]
-   benard; gênant; pĳnlĳk; penibel; van verlegenheid getuigend
+   benard; gênant; pijnlijk; penibel; van verlegenheid getuigend
 
 _____
 
@@ -37308,7 +37316,7 @@
 strange
 strange [streindʒ]
    buitenlands; onwennig; vreemd
-   eigenaardig; gek; raar; vreemd; vreemdsoortig; wonderlĳk
+   eigenaardig; gek; raar; vreemd; vreemdsoortig; wonderlijk
 
 _____
 
@@ -37345,13 +37353,13 @@
 
 strategic
 strategic [strətiːdʒik]
-   krĳgskundig; strategisch
+   krijgskundig; strategisch
 
 _____
 
 strategy
 strategy [strætədʒiː]
-   krĳgskunde; strategie
+   krijgskunde; strategie
 
 _____
 
@@ -37387,8 +37395,8 @@
 
 stray off
 stray off [streiɔf]
-   dwalen; afdwalen; van de weg afwĳken; verdwalen
-   afdwalen; opzĳgaan
+   dwalen; afdwalen; van de weg afwijken; verdwalen
+   afdwalen; opzijgaan
    afdwalen
 
 _____
@@ -37408,7 +37416,7 @@
 
 streamlined
 streamlined [striːmlaind]
-   gestroomlĳnd
+   gestroomlijnd
 
 _____
 
@@ -37507,8 +37515,8 @@
 
 stride
 stride [straid]
-   schrĳden
-   lopen; schrĳden; stappen; treden
+   schrijden
+   lopen; schrijden; stappen; treden
    pas; schrede; stap; tred; voetstap
 
 _____
@@ -37520,7 +37528,7 @@
    aanflitsen; aanfloepen; aangaan; ontbranden
    aanslaan; wortel schieten
    klappen; kloppen; slaan; opvallen
-   strĳken
+   strijken
    imponeren; indruk maken op
    staken
    staking; werkstaking
@@ -37567,7 +37575,7 @@
    afhalen
    string
    pees; zeen
-   koord; koorde; lĳn; lĳntje; snoer; touw
+   koord; koorde; lijn; lijntje; snoer; touw
 
 _____
 
@@ -37624,7 +37632,7 @@
 stroll
 stroll [stroul]
    tippel; wandelen; wandeling
-   aan de wandel zĳn; lopen; tippelen; wandelen
+   aan de wandel zijn; lopen; tippelen; wandelen
 
 _____
 
@@ -37680,8 +37688,8 @@
 struggle
 struggle [strʌgl]
    spartelen; worstelen; zich aftobben
-   kampen; strĳden; strĳd voeren; vechten
-   gevecht; kamp; slag; strĳd; treffen; veldslag
+   kampen; strijden; strijd voeren; vechten
+   gevecht; kamp; slag; strijd; treffen; veldslag
    kampen; worstelen
 
 _____
@@ -37701,7 +37709,7 @@
 stubborn
 stubborn [stʌbən]
    balsturig
-   halsstarrig; hardnekkig; koppig; stĳfhoofdig; verbeten; verstokt
+   halsstarrig; hardnekkig; koppig; stijfhoofdig; verbeten; verstokt
 
 _____
 
@@ -37715,7 +37723,7 @@
 
 studfarm
 studfarm [stədfɑːm]
-   paardenfokkerĳ; stoeterĳ; paardenstoeterĳ
+   paardenfokkerij; stoeterij; paardenstoeterij
 
 _____
 
@@ -37816,20 +37824,20 @@
 sty
 sty [stai]
    hok
-   kot; varkenshok; varkenskot; zwĳnestal
+   kot; varkenshok; varkenskot; zwijnestal
    stal
 
 _____
 
 style
 style [stail]
-   stĳl; trant
+   stijl; trant
 
 _____
 
 stylus
 stylus [stailəs]
-   etsnaald; griffel; schrĳfstift
+   etsnaald; griffel; schrijfstift
 
 _____
 
@@ -37855,7 +37863,7 @@
 subject to
 subject to [sʌbdʒikttou]
    behoudens
-   behept met; lĳdend aan
+   behept met; lijdend aan
 
 _____
 
@@ -37879,15 +37887,15 @@
 
 subjunctive
 subjunctive [səbdʒʌŋktiv]
-   aanvoegende wĳs; conjunctief; oogbindvlies
-   aanvoegende wĳs; conjunctief
+   aanvoegende wijs; conjunctief; oogbindvlies
+   aanvoegende wijs; conjunctief
 
 _____
 
 subjunctive mood
 subjunctive mood [səbdʒʌŋktivmuːd]
-   aanvoegende wĳs; conjunctief; oogbindvlies
-   aanvoegende wĳs; conjunctief
+   aanvoegende wijs; conjunctief; oogbindvlies
+   aanvoegende wijs; conjunctief
 
 _____
 
@@ -37914,7 +37922,7 @@
 subscribe
 subscribe [səbskraib]
    een abonnement nemen; intekenen op; zich abonneren op
-   bĳdragen; contributie betalen
+   bijdragen; contributie betalen
 
 _____
 
@@ -37933,7 +37941,7 @@
 subscription
 subscription [səbskripʃən]
    abonnement
-   bĳdrage; contributie
+   bijdrage; contributie
 
 _____
 
@@ -37946,7 +37954,7 @@
 subsequently
 subsequently [sʌbsikwentliː]
    achteraf; daarna; dan; naderhand; vervolgens
-   bĳgevolg; derhalve; dus; zodoende
+   bijgevolg; derhalve; dus; zodoende
 
 _____
 
@@ -37958,7 +37966,7 @@
 
 subsidiary subject
 subsidiary subject [səbsidiəriːsʌbdʒikt]
-   bĳvak
+   bijvak
 
 _____
 
@@ -38013,7 +38021,7 @@
 
 subtle
 subtle [sʌtl]
-   fĳn; spitsvondig; subtiel
+   fijn; spitsvondig; subtiel
 
 _____
 
@@ -38061,13 +38069,13 @@
 
 subversive
 subversive [sʌbvəːsiv]
-   ondermĳnend; subversief
+   ondermijnend; subversief
 
 _____
 
 subvert
 subvert [sʌbvəːt]
-   ondergraven; ondermĳnen
+   ondergraven; ondermijnen
 
 _____
 
@@ -38105,13 +38113,13 @@
 
 succumb
 succumb [səkʌm]
-   bezwĳken
+   bezwijken
 
 _____
 
 such
 such [sʌtʃ]
-   dergelĳk; dusdanig; zo; zodanig; zo een; zo'n; zulk; zulk een
+   dergelijk; dusdanig; zo; zodanig; zo een; zo'n; zulk; zulk een
    zo; zodanig; zozeer
 
 _____
@@ -38119,13 +38127,13 @@
 such a
 such a [sʌtʃə]
    als; in de hoedanigheid van; in de functie van; in de rol van
-   dergelĳk; dusdanig; zo; zodanig; zo een; zo'n; zulk; zulk een
+   dergelijk; dusdanig; zo; zodanig; zo een; zo'n; zulk; zulk een
 
 _____
 
 such as
 such as [sʌtʃəz]
-   als; op de manier van; op de wĳze van; zoals
+   als; op de manier van; op de wijze van; zoals
 
 _____
 
@@ -38177,25 +38185,25 @@
 suffer
 suffer [sʌfər]
    dragen; naar buiten brengen; uithouden; verdragen
-   doorstaan; lĳden; ondergaan; uitstaan; velen; verdragen
+   doorstaan; lijden; ondergaan; uitstaan; velen; verdragen
 
 _____
 
 suffer damage
 suffer damage [sʌfərdæmidʒ]
-   averĳ krĳgen; averĳ oplopen
+   averij krijgen; averij oplopen
 
 _____
 
 suffer from
 suffer from [sʌfərfrɔm]
-   lĳden aan
+   lijden aan
 
 _____
 
 suffice
 suffice [səːfis]
-   toereiken; toereikend zĳn; voldoende zĳn; voldoen; volstaan
+   toereiken; toereikend zijn; voldoende zijn; voldoen; volstaan
 
 _____
 
@@ -38207,7 +38215,7 @@
 
 sufficiently
 sufficiently [səfiʃientliː]
-   basta; genoeg; nogal; tamelĳk; vrĳ
+   basta; genoeg; nogal; tamelijk; vrij
 
 _____
 
@@ -38261,7 +38269,7 @@
 
 suggest
 suggest [sədʒist]
-   aanduiden; aangeven; aanwĳzen; uitduiden
+   aanduiden; aangeven; aanwijzen; uitduiden
    een wenk geven; influisteren; opperen; suggereren
    suggereren
 
@@ -38278,7 +38286,7 @@
    complet; set; stel; stelletje
    betamem; gelegen komen; passen; schikken; uitkomen; voegen
    costuum; dracht; gewaad; klederdracht; kostuum; pak
-   deugen; geschikt zĳn
+   deugen; geschikt zijn
 
 _____
 
@@ -38290,8 +38298,8 @@
 
 suitable
 suitable [suːtəbl]
-   behoorlĳk; betamelĳk; fatsoenlĳk; keurig; voegzaam; welvoeglĳk
-   betamelĳk; gepast; geschikt; passend; toepasselĳk
+   behoorlijk; betamelijk; fatsoenlijk; keurig; voegzaam; welvoeglijk
+   betamelijk; gepast; geschikt; passend; toepasselijk
    bruikbaar; geschikt
 
 _____
@@ -38316,7 +38324,7 @@
 
 sullen
 sullen [sʌlən]
-   aalwaardig; aalwarig; gemelĳk; verdrietig
+   aalwaardig; aalwarig; gemelijk; verdrietig
 
 _____
 
@@ -38352,7 +38360,7 @@
 
 sum
 sum [sjuːm]
-   bedrag; som; somma; summa; totaal; totaalbedrag; totaalcĳfer
+   bedrag; som; somma; summa; totaal; totaalbedrag; totaalcijfer
 
 _____
 
@@ -38370,7 +38378,7 @@
 
 summer
 summer [sʌmər]
-   zomer; zomertĳd
+   zomer; zomertijd
 
 _____
 
@@ -38390,14 +38398,14 @@
 
 summon
 summon [sʌmən]
-   aanschrĳven
+   aanschrijven
    roepen
 
 _____
 
 summons
 summons [sʌmənz]
-   assignatie; dagvaarding; exploot; toewĳzing
+   assignatie; dagvaarding; exploot; toewijzing
    dagvaarding
 
 _____
@@ -38423,7 +38431,7 @@
 sun
 sun [sn]
    zonnig
-   zonneglans; zonneschĳn
+   zonneglans; zonneschijn
    zon
    zonnebaden; zonnen
 
@@ -38467,7 +38475,7 @@
 
 sunshine
 sunshine [sʌnʃain]
-   zonneglans; zonneschĳn
+   zonneglans; zonneschijn
 
 _____
 
@@ -38541,19 +38549,19 @@
 
 superstition
 superstition [suːpəːstiʃən]
-   bĳgeloof
+   bijgeloof
 
 _____
 
 superstitious
 superstitious [suːpəːstiʃəs]
-   bĳgelovig
+   bijgelovig
 
 _____
 
 supervise
 supervise [suːpəvaiz]
-   aflezen; checken; controleren; nakĳken; surveilleren; toezien
+   aflezen; checken; controleren; nakijken; surveilleren; toezien
 
 _____
 
@@ -38593,7 +38601,7 @@
    aanvoeren; toevoeren
    bestellen; leveren; afleveren; toevoeren
    aanvoer; bevoorrading
-   bevoorraden; provianderen; spekken; stĳven; voorzien van
+   bevoorraden; provianderen; spekken; stijven; voorzien van
    provisie; voorraad; voorziening
 
 _____
@@ -38611,7 +38619,7 @@
 supporter
 supporter [səpɔːtər]
    aanhanger; lid; lidmaat
-   aanhanger; lid; partĳganger; partĳlid
+   aanhanger; lid; partijganger; partijlid
 
 _____
 
@@ -38711,7 +38719,7 @@
 
 surly
 surly [səːliː]
-   bars; honds; nors; nurks; onaardig; onvriendelĳk; stuurs; zuur
+   bars; honds; nors; nurks; onaardig; onvriendelijk; stuurs; zuur
 
 _____
 
@@ -38731,7 +38739,7 @@
 surpass
 surpass [səpɑːs]
    overtreffen; overtroeven
-   overtreffen; te boven gaan; uitblinken; uitmunten; voorbĳstreven
+   overtreffen; te boven gaan; uitblinken; uitmunten; voorbijstreven
 
 _____
 
@@ -38784,7 +38792,7 @@
 
 susceptibility
 susceptibility [səseptəbilitiː]
-   ontvankelĳkheid
+   ontvankelijkheid
 
 _____
 
@@ -38827,7 +38835,7 @@
 sustained
 sustained [səsteind]
    bestendig; constant; gestaag; gestadig; stabiel; vast; standvastig
-   aanhoudend; onophoudelĳk; voortdurend
+   aanhoudend; onophoudelijk; voortdurend
 
 _____
 
@@ -38853,7 +38861,7 @@
 
 swallow up
 swallow up [swɔlouʌp]
-   binnenkrĳgen; innemen; inslikken
+   binnenkrijgen; innemen; inslikken
 
 _____
 
@@ -38884,7 +38892,7 @@
 
 swarm of bees
 swarm of bees [swɔːmɔfbiːz]
-   bĳenzwerm
+   bijenzwerm
 
 _____
 
@@ -38923,9 +38931,9 @@
 
 sweep
 sweep [swiːp]
-   oprĳlaan; oprit
+   oprijlaan; oprit
    bezemen; vegen; aanvegen; opvegen; schoonvegen
-   bestrĳken
+   bestrijken
 
 _____
 
@@ -38950,8 +38958,8 @@
 sweet
 sweet [swiːt]
    oppassend; zoet
-   liefelĳk; zacht; zoet
-   lekkernĳ; snoep; snoepgoed; versnapering
+   liefelijk; zacht; zoet
+   lekkernij; snoep; snoepgoed; versnapering
 
 _____
 
@@ -38966,9 +38974,9 @@
 
 sweetness
 sweetness [swiːtnəs]
-   beminnelĳkheid; lieftalligheid
+   beminnelijkheid; lieftalligheid
    aanvalligheid
-   liefelĳkheid; zachtheid; zachtaardigheid; zoetheid
+   liefelijkheid; zachtheid; zachtaardigheid; zoetheid
 
 _____
 
@@ -38980,7 +38988,7 @@
 
 sweet smell
 sweet smell [swiːtsmel]
-   heerlĳke geur
+   heerlijke geur
 
 _____
 
@@ -38993,7 +39001,7 @@
 swell
 swell [swil]
    aanzwellen
-   opzetten; rĳzen; uitdĳen; zwellen; opzwellen
+   opzetten; rijzen; uitdijen; zwellen; opzwellen
 
 _____
 
@@ -39018,13 +39026,13 @@
 
 swiftly
 swiftly [swiftliː]
-   gauw; hard; in allerĳl; schielĳk; snel; vlug
+   gauw; hard; in allerijl; schielijk; snel; vlug
 
 _____
 
 swim
 swim [swim]
-   drĳven; zwemmen
+   drijven; zwemmen
 
 _____
 
@@ -39049,7 +39057,7 @@
 
 swim away
 swim away [swimɔːwei]
-   wegdrĳven
+   wegdrijven
 
 _____
 
@@ -39057,8 +39065,8 @@
 swindle [swindl]
    frauderen; knoeien; zwendelen
    bedonderen; belazeren; verneuken
-   afzetterĳ
-   bedriegerĳ; bedrog; misleiding
+   afzetterij
+   bedriegerij; bedrog; misleiding
 
 _____
 
@@ -39070,13 +39078,13 @@
 
 swindling
 swindling [swindliŋ]
-   afzetterĳ
+   afzetterij
 
 _____
 
 swine
 swine [swain]
-   varken; zwĳn
+   varken; zwijn
 
 _____
 
@@ -39126,14 +39134,14 @@
 
 switch on
 switch on [switʃwʌn]
-   aan de praat krĳgen; aanzetten; op gang brengen
+   aan de praat krijgen; aanzetten; op gang brengen
 
 _____
 
 swoon
 swoon [swuːn]
-   bewusteloos raken; bezwĳmen; flauw vallen; in zwĳm vallen
-   flauwte; onmacht; bezwĳming; zwĳm
+   bewusteloos raken; bezwijmen; flauw vallen; in zwijm vallen
+   flauwte; onmacht; bezwijming; zwijm
 
 _____
 
@@ -39226,7 +39234,7 @@
 
 symptom
 symptom [simptəm]
-   symptoom; teken; verschĳnsel
+   symptoom; teken; verschijnsel
 
 _____
 
@@ -39306,20 +39314,20 @@
 
 table
 table [teibl]
-   lĳst; tabel; tafel
+   lijst; tabel; tafel
    tafel
 
 _____
 
 tablet
 tablet [tæblit]
-   lĳst; tabel; tafel
+   lijst; tabel; tafel
 
 _____
 
 tabulation
 tabulation [tæbjuleiʃən]
-   lĳst; tabel; tafel
+   lijst; tabel; tafel
 
 _____
 
@@ -39376,7 +39384,7 @@
 tailor [teilər]
    kleren maken
    kleermaakster
-   kleermaker; snĳder; tailleur
+   kleermaker; snijder; tailleur
 
 _____
 
@@ -39421,7 +39429,7 @@
 
 take action
 take action [teikækʃən]
-   ageren; doen; bezig zĳn; handelen; optreden; te werk gaan
+   ageren; doen; bezig zijn; handelen; optreden; te werk gaan
 
 _____
 
@@ -39439,7 +39447,7 @@
 
 take along
 take along [teikælɔŋ]
-   bĳeenbrengen; meebrengen; meenemen
+   bijeenbrengen; meebrengen; meenemen
    afhalen; meebrengen; meenemen; vergaderen
 
 _____
@@ -39502,7 +39510,7 @@
 take care
 take care [teikkɛər]
    oppassen
-   bezorgd zĳn; zich bekommeren; zorg dragen; zorgen
+   bezorgd zijn; zich bekommeren; zorg dragen; zorgen
 
 _____
 
@@ -39572,7 +39580,7 @@
 
 take off
 take off [teikɔf]
-   afdoen; afleggen; afzetten; uitdoen; uitkrĳgen; uittrekken
+   afdoen; afleggen; afzetten; uitdoen; uitkrijgen; uittrekken
 
 _____
 
@@ -39635,13 +39643,13 @@
 
 take steps
 take steps [teiksteps]
-   moeite doen; pogen; streven; trachten; zich beĳveren; zoeken
+   moeite doen; pogen; streven; trachten; zich beijveren; zoeken
 
 _____
 
 take the bait
 take the bait [teikðbeit]
-   toebĳten; toehappen
+   toebijten; toehappen
 
 _____
 
@@ -39718,8 +39726,8 @@
 tall
 tall [tɔːl]
    hoog; verheven
-   lang; opgaand; opgeschoten; rĳzig
-   groot; lang; rĳzig
+   lang; opgaand; opgeschoten; rijzig
+   groot; lang; rijzig
 
 _____
 
@@ -39749,7 +39757,7 @@
 
 tambourine
 tambourine [tæmbəriːn]
-   rinkelbom; tamboereerraam; tamboerĳn
+   rinkelbom; tamboereerraam; tamboerijn
 
 _____
 
@@ -39775,7 +39783,7 @@
 
 tangerine
 tangerine [tændʒəriːn]
-   mandarĳn; mandarĳntje
+   mandarijn; mandarijntje
 
 _____
 
@@ -39849,7 +39857,7 @@
 
 tapestry
 tapestry [tæpistriː]
-   behang; wandtapĳt
+   behang; wandtapijt
 
 _____
 
@@ -39935,7 +39943,7 @@
 
 tasty
 tasty [teistiː]
-   fĳn; lekker; smakelĳk; van goede smaak getuigend
+   fijn; lekker; smakelijk; van goede smaak getuigend
 
 _____
 
@@ -39984,13 +39992,13 @@
 
 taxfree
 tax‐free
-   belastingvrĳ; onbelastbaar
+   belastingvrij; onbelastbaar
 
 _____
 
 tax
 tax [tæks]
-   aanslaan; belasten; belasting heffen op; veraccĳnzen
+   aanslaan; belasten; belasting heffen op; veraccijnzen
    belasting; recht
 
 _____
@@ -40124,15 +40132,15 @@
 teach
 teach [tiːtʃ]
    afleren; afwennen
-   bĳbrengen; instrueren; leren; scholen
-   leren; onderwĳzen
+   bijbrengen; instrueren; leren; scholen
+   leren; onderwijzen
 
 _____
 
 teacher
 teacher [tiːtʃər]
-   lerares; onderwĳzeres; schooljuffrouw
-   instructeur; leraar; onderwĳzer; schoolmeester
+   lerares; onderwijzeres; schooljuffrouw
+   instructeur; leraar; onderwijzer; schoolmeester
 
 _____
 
@@ -40166,7 +40174,7 @@
    doorscheuren; vaneenscheuren; verscheuren
    traan
    flap; scheur
-   rĳten; scheuren
+   rijten; scheuren
 
 _____
 
@@ -40288,7 +40296,7 @@
 
 telescope
 telescope [teliskoup]
-   sterrenkĳker; telescoop; verrekĳker
+   sterrenkijker; telescoop; verrekijker
 
 _____
 
@@ -40332,7 +40340,7 @@
 tell [tel]
    opgeven; zeggen
    belasten met; opdracht geven; opdragen
-   bevelen; gelasten; sommeren; verordenen; voorschrĳven
+   bevelen; gelasten; sommeren; verordenen; voorschrijven
    debiteren; verhalen; vertellen
 
 _____
@@ -40402,16 +40410,16 @@
 
 temporarily
 temporarily [temprəriliː]
-   tĳdelĳk
+   tijdelijk
    vooralsnog; vooreerst; voorlopig; voorshands
 
 _____
 
 temporary
 temporary [temprəriː]
-   tĳdelĳk
-   tĳdelĳk; vergankelĳk; voorbĳgaand; van voorbĳgaande aard
-   tĳdelĳk; voorlopig
+   tijdelijk
+   tijdelijk; vergankelijk; voorbijgaand; van voorbijgaande aard
+   tijdelijk; voorlopig
 
 _____
 
@@ -40429,7 +40437,7 @@
 
 tempting
 tempting [temptiŋ]
-   aanlokkelĳk; lekker
+   aanlokkelijk; lekker
 
 _____
 
@@ -40475,11 +40483,11 @@
 tender
 tender [tendər]
    aanbesteding; gunning
-   liefelĳk; zacht; zoet
+   liefelijk; zacht; zoet
    aanbesteding
    aanbieden; indienen; presenteren; spelen; vertonen; voorstellen
    aanbesteding
-   aanbesteding; inschrĳving
+   aanbesteding; inschrijving
    aanbieding; aanbod
    bieden; aanbieden; uitloven; voordragen; voorslaan; voorstellen
    aanbieding; bod; aanbod; voorslag; voorstel
@@ -40489,7 +40497,7 @@
 
 tenderness
 tenderness [tendənəs]
-   delicaatheid; fĳnheid; kiesheid; tederheid; teerheid; zachtheid
+   delicaatheid; fijnheid; kiesheid; tederheid; teerheid; zachtheid
    malsheid; weekheid; zachtheid
    tederheid; teerhartigheid; teerheid; weekhartigheid
    tederheid; teerheid
@@ -40587,7 +40595,7 @@
 
 terminology
 terminology [təːminɔlədʒiː]
-   terminologie; vakwoordenboek; vakwoordenlĳst
+   terminologie; vakwoordenboek; vakwoordenlijst
 
 _____
 
@@ -40629,13 +40637,13 @@
 
 terraced house
 terraced house [terəsthaus]
-   rĳtjeshuis
+   rijtjeshuis
 
 _____
 
 terrace house
 terrace house [terəshaus]
-   rĳtjeshuis
+   rijtjeshuis
 
 _____
 
@@ -40655,7 +40663,7 @@
 
 terrible
 terrible [terəbl]
-   ĳselĳk; schrikaanjagend; verschrikkelĳk; vervaarlĳk; vreselĳk
+   ijselijk; schrikaanjagend; verschrikkelijk; vervaarlijk; vreselijk
 
 _____
 
@@ -40680,7 +40688,7 @@
 terror
 terror [terər]
    schrikbewind; terreur
-   ontzetting; schrik; schrikkelĳkheid
+   ontzetting; schrik; schrikkelijkheid
 
 _____
 
@@ -40777,7 +40785,7 @@
 
 thankful
 thankful [θæŋkfəl]
-   dankbaar; erkentelĳk
+   dankbaar; erkentelijk
    dankbaar
 
 _____
@@ -40797,7 +40805,7 @@
 
 thanks to
 thanks to [θæŋkstou]
-   dank zĳ
+   dank zij
 
 _____
 
@@ -40815,7 +40823,7 @@
 
 thank you very much
 thank you very much [θæŋkjauveriːmʌtʃ]
-   hartelĳk bedankt
+   hartelijk bedankt
 
 _____
 
@@ -40862,7 +40870,7 @@
 
 that kind of
 that kind of [ðætkaindɔf]
-   dergelĳk; dusdanig; zo; zodanig; zo een; zo'n; zulk; zulk een
+   dergelijk; dusdanig; zo; zodanig; zo een; zo'n; zulk; zulk een
 
 _____
 
@@ -40898,7 +40906,7 @@
 
 that way
 that way [ðætwei]
-   aldus; op die manier; op die wĳze; zo; zus
+   aldus; op die manier; op die wijze; zo; zus
    daarheen
 
 _____
@@ -40954,7 +40962,7 @@
 
 thee and thou
 thee and thou [ðiːændðau]
-   jĳ en jou zeggen; tutoyeren
+   jij en jou zeggen; tutoyeren
 
 _____
 
@@ -40967,7 +40975,7 @@
 their
 their [ðɛər]
    haar; hun
-   haar; hun; zĳn
+   haar; hun; zijn
 
 _____
 
@@ -40995,7 +41003,7 @@
 then
 then [θən]
    daarop; vervolgens
-   dan; destĳds; toen; toenmaals; toentertĳd
+   dan; destijds; toen; toenmaals; toentertijd
    dan
 
 _____
@@ -41050,7 +41058,7 @@
 
 there
 there [ðər]
-   hier; hierzo; kĳk; ziedaar; ziehier; ziezo
+   hier; hierzo; kijk; ziedaar; ziehier; ziezo
    daarheen
    daar
    aldaar; daar; d'r; er; 'r
@@ -41096,13 +41104,13 @@
 
 there are
 there are [ðərɛər]
-   er is; er zĳn
+   er is; er zijn
 
 _____
 
 there is
 there is [ðəriz]
-   er is; er zĳn
+   er is; er zijn
 
 _____
 
@@ -41165,7 +41173,7 @@
 
 they
 they [ðei]
-   ze; zĳ
+   ze; zij
    men
 
 _____
@@ -41269,7 +41277,7 @@
 thick
 thick [θik]
    dicht; dik; gebonden
-   dik; lĳvig
+   dik; lijvig
 
 _____
 
@@ -41281,7 +41289,7 @@
 
 thickness
 thickness [θiknəs]
-   dikte; lĳvigheid
+   dikte; lijvigheid
 
 _____
 
@@ -41294,7 +41302,7 @@
 
 thigh
 thigh [θai]
-   bovenbeen; dĳ
+   bovenbeen; dij
 
 _____
 
@@ -41316,7 +41324,7 @@
 thing
 thing [θiŋ]
    ding; voorwerp
-   ding; mikpunt; object; onderwerp; voorwerp; lĳdend voorwerp
+   ding; mikpunt; object; onderwerp; voorwerp; lijdend voorwerp
 
 _____
 
@@ -41335,7 +41343,7 @@
 
 think
 think [θiŋk]
-   achten; geloven; van mening zĳn; vinden
+   achten; geloven; van mening zijn; vinden
    denken
    bedenken; nadenken; overdenken; wikken; zinnen; zinnen op
 
@@ -41460,7 +41468,7 @@
 
 this way
 this way [ðaizwei]
-   dus; aldus; in dier voege; op die wĳze; zo; zodanig; zodoende
+   dus; aldus; in dier voege; op die wijze; zo; zodanig; zodoende
    hier; hierheen
 
 _____
@@ -41498,7 +41506,7 @@
 thoroughly
 thoroughly [θʌruːliː]
    grondig; radicaal
-   grondig; rĳpelĳk
+   grondig; rijpelijk
 
 _____
 
@@ -41511,9 +41519,9 @@
 
 thou
 thou [ðau]
-   je; jĳ; ge; gĳ
-   ge; gĳ; u
-   je; jĳ; ge; gĳ
+   je; jij; ge; gij
+   ge; gij; u
+   je; jij; ge; gij
 
 _____
 
@@ -41559,7 +41567,7 @@
 thread
 thread [θred]
    draad; garen
-   insteken; rĳgen
+   insteken; rijgen
 
 _____
 
@@ -41719,7 +41727,7 @@
 
 thrush
 thrush [θrʌʃ]
-   lĳster
+   lijster
 
 _____
 
@@ -41769,17 +41777,17 @@
 thus
 thus [θʌs]
    als volgt
-   bĳgevolg; derhalve; dus; zodoende
-   dus; aldus; in dier voege; op die wĳze; zo; zodanig; zodoende
+   bijgevolg; derhalve; dus; zodoende
+   dus; aldus; in dier voege; op die wijze; zo; zodanig; zodoende
    zo; zodanig; zozeer
-   aldus; op die manier; op die wĳze; zo; zus
-   aldus; op deze manier; op deze wĳze; zo
+   aldus; op die manier; op die wijze; zo; zus
+   aldus; op deze manier; op deze wijze; zo
 
 _____
 
 thwart
 thwart [θwɔːt]
-   bemoeilĳken
+   bemoeilijken
 
 _____
 
@@ -41791,7 +41799,7 @@
 
 tic
 tic [tik]
-   tic; tĳk; trekking
+   tic; tijk; trekking
 
 _____
 
@@ -41809,7 +41817,7 @@
 
 ticket
 ticket [tikit]
-   biljet; kaartje; plaatsbewĳs; plaatskaartje
+   biljet; kaartje; plaatsbewijs; plaatskaartje
    passagebiljet
 
 _____
@@ -41829,25 +41837,25 @@
 
 tic douloureux
 tic douloureux [tikdələriːjuːks]
-   aangezichtspĳn
+   aangezichtspijn
 
 _____
 
 tidbit
 tidbit [tidbit]
-   lekkernĳ; snoep; snoepgoed; versnapering
+   lekkernij; snoep; snoepgoed; versnapering
 
 _____
 
 tide
 tide [taid]
-   tĳ; getĳ
+   tij; getij
 
 _____
 
 tidy
 tidy [taidiː]
-   ordelĳk
+   ordelijk
    inrichten; regelen; ruimen; opruimen; schikken; terechtbrengen
    aardig; niet onbeduidend
 
@@ -41880,7 +41888,7 @@
 
 tiger
 tiger [taigər]
-   tĳger
+   tijger
 
 _____
 
@@ -41956,7 +41964,7 @@
 
 timbrel
 timbrel [timbrəl]
-   rinkelbom; tamboereerraam; tamboerĳn
+   rinkelbom; tamboereerraam; tamboerijn
 
 _____
 
@@ -41970,7 +41978,7 @@
 time [taim]
    keer; maal
    uur
-   poos; tĳd
+   poos; tijd
 
 _____
 
@@ -41982,7 +41990,7 @@
 
 time to consider
 time to consider [taimtoukənsidər]
-   bedenktĳd
+   bedenktijd
 
 _____
 
@@ -42154,7 +42162,7 @@
 
 to
 to [tou]
-   aan; bĳ; naar; tegen; tot; voor
+   aan; bij; naar; tegen; tot; voor
    om; om te; per; tegen; ten einde te; voor
 
 _____
@@ -42205,7 +42213,7 @@
 
 together
 together [təgeðər]
-   aaneen; bĳeen; ineen; samen; tezamen
+   aaneen; bijeen; ineen; samen; tezamen
 
 _____
 
@@ -42238,9 +42246,9 @@
 
 token
 token [toukən]
-   adstructie; bewĳs; teken
+   adstructie; bewijs; teken
    sein; signaal; teken
-   bewĳs; blĳk; teken; merkteken; wenk
+   bewijs; blijk; teken; merkteken; wenk
 
 _____
 
@@ -42252,7 +42260,7 @@
 
 tolerate
 tolerate [tɔləreit]
-   aanzien; dulden; lĳden; toelaten; tolereren; velen; verdragen
+   aanzien; dulden; lijden; toelaten; tolereren; velen; verdragen
 
 _____
 
@@ -42330,8 +42338,8 @@
 
 tongs
 tongs [tɔŋz]
-   knĳper; schaar
-   greep; grĳper; handvat; oor
+   knijper; schaar
+   greep; grijper; handvat; oor
 
 _____
 
@@ -42388,7 +42396,7 @@
 
 toothache
 toothache [tuːθeik]
-   kiespĳn; tandpĳn
+   kiespijn; tandpijn
 
 _____
 
@@ -42492,8 +42500,8 @@
 
 torture
 torture [tɔːtʃər]
-   foltering; marteling; pĳniging
-   folteren; martelen; pĳnigen
+   foltering; marteling; pijniging
+   folteren; martelen; pijnigen
    foltering; marteling
 
 _____
@@ -42563,14 +42571,14 @@
 
 touching
 touching [tʌtʃiŋ]
-   aangrĳpend; emotioneel; roerend; ontroerend
-   aandoenlĳk; roerend; ontroerend; treffend
+   aangrijpend; emotioneel; roerend; ontroerend
+   aandoenlijk; roerend; ontroerend; treffend
 
 _____
 
 touch lightly
 touch lightly [tʌtʃlaitliː]
-   beroeren; strĳken langs
+   beroeren; strijken langs
 
 _____
 
@@ -42588,7 +42596,7 @@
 
 touch up
 touch up [tʌtʃʌp]
-   bĳwerken; retoucheren
+   bijwerken; retoucheren
 
 _____
 
@@ -42649,7 +42657,7 @@
 
 toward
 toward [təwɔːd]
-   aan; bĳ; naar; tegen; tot; voor
+   aan; bij; naar; tegen; tot; voor
    naar; op ... af
    betreffende; in verband met; op het stuk van; ten opzichte van
 
@@ -42657,7 +42665,7 @@
 
 towards
 towards [təwɔːdz]
-   aan; bĳ; naar; tegen; tot; voor
+   aan; bij; naar; tegen; tot; voor
    naar; op ... af
    betreffende; in verband met; op het stuk van; ten opzichte van
    om; om ... heen; omtrent; ongeveer; rondom
@@ -42727,7 +42735,7 @@
 
 to both sides
 to both sides [toubɔθsaidz]
-   naar weerskanten; naar weerszĳden
+   naar weerskanten; naar weerszijden
 
 _____
 
@@ -42751,20 +42759,20 @@
 
 to me
 to me [toum]
-   aan me; aan mĳ; me; mĳ; naar me; naar mĳ
+   aan me; aan mij; me; mij; naar me; naar mij
 
 _____
 
 to my thinking
 to my thinking [toumiːθiŋkiŋ]
-   mĳns inziens
+   mijns inziens
 
 _____
 
 to some extent
 to some extent [tousʌmikstent]
    tot op zekere hoogte
-   een beetje; een weinig; enigszins; nogal; tamelĳk; wat
+   een beetje; een weinig; enigszins; nogal; tamelijk; wat
 
 _____
 
@@ -42776,7 +42784,7 @@
 
 to tell the truth
 to tell the truth [toutelðtruːθ]
-   eigenlĳk; om de waarheid te zeggen; ten slotte; welbeschouwd
+   eigenlijk; om de waarheid te zeggen; ten slotte; welbeschouwd
 
 _____
 
@@ -42820,7 +42828,7 @@
 
 to the letter
 to the letter [touðletər]
-   letterlĳk; naar de letter
+   letterlijk; naar de letter
 
 _____
 
@@ -42839,7 +42847,7 @@
 
 to the side
 to the side [touðsaid]
-   opzĳ; zĳwaarts
+   opzij; zijwaarts
 
 _____
 
@@ -42894,7 +42902,7 @@
 
 tractable
 tractable [træktəbl]
-   handelbaar; inschikkelĳk
+   handelbaar; inschikkelijk
 
 _____
 
@@ -42917,20 +42925,20 @@
    handel drijven; handelen
    handel; koopmanschap; nering
    ambacht; beroep; handwerk; vak
-   handeldrĳven; handelen; zaken doen
+   handeldrijven; handelen; zaken doen
 
 _____
 
 trade and industry
 trade and industry [trædændindʌstriː]
-   bedrĳfsleven; industrie
-   bedrĳfsleven
+   bedrijfsleven; industrie
+   bedrijfsleven
 
 _____
 
 trading
 trading [treidiŋ]
-   handel; handeldrĳven
+   handel; handeldrijven
 
 _____
 
@@ -43092,12 +43100,12 @@
 transformation [trænsfəmeiʃən]
    herschepping; vervorming
    gedaanteverandering; vervorming
-   verandering; wĳziging
+   verandering; wijziging
    gedaanteverwisseling; metamorfose
    omvorming; omzetting; transformatie
    vervorming
    keer; kentering; verandering; verloop
-   keer; omkeer; verandering; verzetting; wĳziging; wisseling
+   keer; omkeer; verandering; verzetting; wijziging; wisseling
 
 _____
 
@@ -43121,7 +43129,7 @@
 
 transitive
 transitive [trænsətiv]
-   overgankelĳk; transitief
+   overgankelijk; transitief
 
 _____
 
@@ -43164,7 +43172,7 @@
 
 transporter
 transporter [trænspɔːtər]
-   transporteur; vervoerder; voerman; vrachtrĳder
+   transporteur; vervoerder; voerman; vrachtrijder
 
 _____
 
@@ -43188,7 +43196,7 @@
 
 travel
 travel [trævəl]
-   gaan; karren; rĳden; varen
+   gaan; karren; rijden; varen
    reizen
 
 _____
@@ -43237,8 +43245,8 @@
 
 treacherous
 treacherous [tretʃərəs]
-   dubbelhartig; trouweloos; verraderlĳk
-   verraderlĳk
+   dubbelhartig; trouweloos; verraderlijk
+   verraderlijk
 
 _____
 
@@ -43250,9 +43258,9 @@
 
 tread
 tread [tred]
-   lopen; schrĳden; stappen; treden
+   lopen; schrijden; stappen; treden
    te voet oversteken
-   begaan; bestĳgen; opgaan
+   begaan; bestijgen; opgaan
    aanstampen; trappen op
 
 _____
@@ -43267,7 +43275,7 @@
 treat [triːt]
    behandelen; cureren
    behandelen; verhandelen
-   onthalen; trakteren; vergasten; vrĳhouden
+   onthalen; trakteren; vergasten; vrijhouden
    onthaal; tractatie
    behandelen; onderhandelen
 
@@ -43396,13 +43404,13 @@
 
 tribute
 tribute [tribjuːt]
-   cĳns; schatting
+   cijns; schatting
 
 _____
 
 trick
 trick [trik]
-   aanwensel; hebbelĳkheid
+   aanwensel; hebbelijkheid
    foefje; kneep; kunstgreep; streek; stunt; toer; truc
    bedotten; beduvelen; beetnemen; om de tuin leiden
    kneep; list; slimmigheid; slimmigheidje
@@ -43437,7 +43445,7 @@
 
 trifle
 trifle [traifəl]
-   bagatel; beuzelarĳ; futiliteit; kleinigheid; wissewasje
+   bagatel; beuzelarij; futiliteit; kleinigheid; wissewasje
    akkefietje; akkevietje
 
 _____
@@ -43587,7 +43595,7 @@
 
 trouble
 trouble [trʌbl]
-   bezwaar; moeilĳkheid; strubbeling; zwarigheid
+   bezwaar; moeilijkheid; strubbeling; zwarigheid
    opgave; probleem; vraagpunt; vraagstuk
    belemmeren; hinderen; storen; verstoren
    gêne; hinder; last; overlast; stoornis; storing; verstoring
@@ -43596,7 +43604,7 @@
 
 troublesome
 troublesome [trʌblsəm]
-   hinderlĳk; lastig; pĳnlĳk; storend; verstorend
+   hinderlijk; lastig; pijnlijk; storend; verstorend
 
 _____
 
@@ -43644,21 +43652,21 @@
 
 truculent
 truculent [trʌkjulənt]
-   militant; strĳdlustig; vechtlustig
+   militant; strijdlustig; vechtlustig
 
 _____
 
 true
 true [truː]
-   gegrond; gelĳk hebbend; juist
-   echt; eigenlĳk; heus; waar; waarachtig
+   gegrond; gelijk hebbend; juist
+   echt; eigenlijk; heus; waar; waarachtig
 
 _____
 
 truly
 truly [truːliː]
-   echt; werkelĳk; wezenlĳk
-   echt; inderdaad; naar waarheid; waarachtig; waarlĳk; werkelĳk
+   echt; werkelijk; wezenlijk
+   echt; inderdaad; naar waarheid; waarachtig; waarlijk; werkelijk
 
 _____
 
@@ -43747,7 +43755,7 @@
 tube
 tube [tjuːb]
    binnenband
-   buis; kanaal; loop; pĳp; roer; steel
+   buis; kanaal; loop; pijp; roer; steel
    klep; radiolamp; schaal; ventiel
 
 _____
@@ -43805,7 +43813,7 @@
 
 tummy ache
 tummy ache [tʌmiːeik]
-   buikpĳn
+   buikpijn
 
 _____
 
@@ -43835,13 +43843,13 @@
 
 tunafish
 tuna‐fish
-   tonĳn
+   tonijn
 
 _____
 
 tuna
 tuna [tjuːnə]
-   tonĳn
+   tonijn
 
 _____
 
@@ -43849,7 +43857,7 @@
 tune [tjuːn]
    aanpassen; afstemmen
    in een stemming brengen; stemmen
-   deun; deuntje; melodie; wĳs; wĳsje
+   deun; deuntje; melodie; wijs; wijsje
    afstemmen
 
 _____
@@ -43880,7 +43888,7 @@
 
 tunny
 tunny [tʌniː]
-   tonĳn
+   tonijn
 
 _____
 
@@ -43911,7 +43919,7 @@
 turn
 turn [təːn]
    afslaan
-   afslaan; afwĳken
+   afslaan; afwijken
    omkeren
    aanleg; begaafdheid; gave; talent
    kantelen; omgooien; omkeren; omvergooien; ten val brengen
@@ -43922,7 +43930,7 @@
    10.aandraaien
    11.omdraaien; omkeren; ronddraaien; zich omkeren
    12.draai; gier; keer; slag; wending; zwaai; zwenk; zwenking
-   13.beurt; file; gelid; reeks; rĳ; toerbeurt
+   13.beurt; file; gelid; reeks; rij; toerbeurt
 
 _____
 
@@ -43934,7 +43942,7 @@
 
 turniprooted celery
 turnip‐rooted celery
-   knolselderĳ
+   knolselderij
 
 _____
 
@@ -43989,7 +43997,7 @@
 turn on
 turn on [təːnwʌn]
    aanzetten; aanzetten tot; activeren
-   aan de praat krĳgen; aanzetten; op gang brengen
+   aan de praat krijgen; aanzetten; op gang brengen
    aandoen; aanzetten; inschakelen
    aandraaien
    aandoen; aandraaien; aansteken; schakelen; inschakelen
@@ -44013,14 +44021,14 @@
 turn to account
 turn to account [təːntouəkaunt]
    gebruik maken van; te baat nemen
-   garen spinnen bĳ; zĳn voordeel doen met
+   garen spinnen bij; zijn voordeel doen met
 
 _____
 
 turn to good account
 turn to good account [təːntougudəkaunt]
    gebruik maken van; te baat nemen
-   garen spinnen bĳ; zĳn voordeel doen met
+   garen spinnen bij; zijn voordeel doen met
    benutten; te baat nemen; waarnemen
 
 _____
@@ -44046,8 +44054,8 @@
 
 tutor
 tutor [tjuːtər]
-   onderwĳzen; opvoeden
-   gouverneur; huisonderwĳzer
+   onderwijzen; opvoeden
+   gouverneur; huisonderwijzer
 
 _____
 
@@ -44095,13 +44103,13 @@
 
 twich
 twich [twitʃ]
-   tic; tĳk; trekking
+   tic; tijk; trekking
 
 _____
 
 twig
 twig [twig]
-   rank; rĳs; twĳg
+   rank; rijs; twijg
 
 _____
 
@@ -44135,7 +44143,7 @@
 twist [twist]
    kronkelen
    kronkelen; slingeren
-   twĳnen; verbuigen; verdraaien; vertrekken; wringen; verwringen
+   twijnen; verbuigen; verdraaien; vertrekken; wringen; verwringen
    de twist dansen; twisten
    twist
    kronkelen
@@ -44187,7 +44195,7 @@
 type
 type [taip]
    drukletter
-   machineschrĳven; tikken; typen
+   machineschrijven; tikken; typen
    type
 
 _____
@@ -44200,13 +44208,13 @@
 
 typewriter
 typewriter [taipraitər]
-   schrĳfmachine
+   schrijfmachine
 
 _____
 
 typewriter carriage
 typewriter carriage [taipraitərkæridʒ]
-   wagen; schrĳfmachinewagen
+   wagen; schrijfmachinewagen
 
 _____
 
@@ -44242,7 +44250,7 @@
 
 tyranny
 tyranny [tirəniː]
-   dwingelandĳ; tirannie
+   dwingelandij; tirannie
 
 _____
 
@@ -44279,8 +44287,8 @@
 
 ugly
 ugly [ʌgliː]
-   lelĳk; rot; shit; shit‐
-   lelĳk
+   lelijk; rot; shit; shit‐
+   lelijk
 
 _____
 
@@ -44292,7 +44300,7 @@
 
 ultimately
 ultimately [ʌltimətiːliː]
-   eindelĳk; per saldo; ten slotte
+   eindelijk; per saldo; ten slotte
 
 _____
 
@@ -44472,7 +44480,7 @@
 
 undermine
 undermine [ʌndəmin]
-   ondergraven; ondermĳnen
+   ondergraven; ondermijnen
 
 _____
 
@@ -44499,19 +44507,19 @@
 
 understand
 understand [ʌndəstænd]
-   begrĳpen; beseffen; bevatten; snappen; vatten; verstaan
+   begrijpen; beseffen; bevatten; snappen; vatten; verstaan
 
 _____
 
 understandable
 understandable [ʌndəstændəbl]
-   begrĳpelĳk; bevattelĳk; duidelĳk; vanzelfsprekend
+   begrijpelijk; bevattelijk; duidelijk; vanzelfsprekend
 
 _____
 
 understandably
 understandably [ʌndəstændəbliː]
-   begrĳpelĳkerwĳs
+   begrijpelijkerwijs
 
 _____
 
@@ -44531,7 +44539,7 @@
 undertake
 undertake [ʌndəteik]
    ondernemen
-   moeite doen; pogen; streven; trachten; zich beĳveren; zoeken
+   moeite doen; pogen; streven; trachten; zich beijveren; zoeken
 
 _____
 
@@ -44573,7 +44581,7 @@
 
 undoubtedly
 undoubtedly [ʌndautidliː]
-   bepaald; ongetwĳfeld; zeker
+   bepaald; ongetwijfeld; zeker
 
 _____
 
@@ -44635,9 +44643,9 @@
 
 unfortunately
 unfortunately [ʌnfɔːtʃuneitiːliː]
-   helaas; jammer; jammer genoeg; tot mĳn spĳt
+   helaas; jammer; jammer genoeg; tot mijn spijt
    gelukkig
-   ongelukkigerwĳs
+   ongelukkigerwijs
 
 _____
 
@@ -44692,31 +44700,31 @@
 uniform
 uniform [juːnifɔːm]
    tenue; uniform
-   eenvormig; gelĳkvormig; uniform
+   eenvormig; gelijkvormig; uniform
 
 _____
 
 unilateral
 unilateral [juːnilætərəl]
-   eenzĳdig
+   eenzijdig
 
 _____
 
 unimportant
 unimportant [ʌnimpɔːtnt]
-   goedaardig; onbelangrĳk
+   goedaardig; onbelangrijk
 
 _____
 
 unintelligible
 unintelligible [ʌnintelidʒəbl]
-   onbegrĳpelĳk; ondoorgrondelĳk
+   onbegrijpelijk; ondoorgrondelijk
 
 _____
 
 unintentional
 unintentional [ʌnintenʃənl]
-   ongewild; onopzettelĳk
+   ongewild; onopzettelijk
 
 _____
 
@@ -44742,7 +44750,7 @@
 
 unite
 unite [juːnait]
-   aaneenvoegen; bĳeenbrengen; samenbrengen; verenigen
+   aaneenvoegen; bijeenbrengen; samenbrengen; verenigen
    paren
    verenigen
 
@@ -44799,7 +44807,7 @@
 
 unkind
 unkind [ʌnkaind]
-   bars; honds; nors; nurks; onaardig; onvriendelĳk; stuurs; zuur
+   bars; honds; nors; nurks; onaardig; onvriendelijk; stuurs; zuur
 
 _____
 
@@ -44825,7 +44833,7 @@
 
 unless
 unless [ʌnləs]
-   tenzĳ
+   tenzij
 
 _____
 
@@ -44855,7 +44863,7 @@
 
 unoccupied
 unoccupied [ʌnɔkjupaid]
-   leeg; onbezet; open; vrĳ
+   leeg; onbezet; open; vrij
 
 _____
 
@@ -44873,7 +44881,7 @@
 
 unpleasant
 unpleasant [ʌnpleznt]
-   bars; honds; nors; nurks; onaardig; onvriendelĳk; stuurs; zuur
+   bars; honds; nors; nurks; onaardig; onvriendelijk; stuurs; zuur
 
 _____
 
@@ -44897,13 +44905,13 @@
 
 unripe
 unripe [ʌnraip]
-   onrĳp; onvoldragen
+   onrijp; onvoldragen
 
 _____
 
 unripe fruit
 unripe fruit [ʌnraipfruːt]
-   onrĳpe vrucht
+   onrijpe vrucht
 
 _____
 
@@ -44934,7 +44942,7 @@
 
 unsocial
 unsocial [ʌnsouʃl]
-   asociaal; onmaatschappelĳk
+   asociaal; onmaatschappelijk
 
 _____
 
@@ -44994,7 +45002,7 @@
 
 unusual
 unusual [ʌnjuːʒeəl]
-   ongebruikelĳk; ongewoon
+   ongebruikelijk; ongewoon
 
 _____
 
@@ -45088,16 +45096,16 @@
 
 upper side
 upper side [ʌpərsaid]
-   bovenkant; bovenzĳde
+   bovenkant; bovenzijde
 
 _____
 
 upset
 upset [ʌpset]
-   bedremmeld; beduusd; beteuterd; verbĳsterd; verbouwereerd
+   bedremmeld; beduusd; beteuterd; verbijsterd; verbouwereerd
    ontdaan; onthutst; verbluft; verslagen; verstomd
    van streek
-   niet lekker; ongesteld; onwel; van streek; ziekelĳk
+   niet lekker; ongesteld; onwel; van streek; ziekelijk
    kantelen; omgooien; omkeren; omvergooien; ten val brengen
 
 _____
@@ -45130,7 +45138,7 @@
 
 urban
 urban [əːbən]
-   stads; stads‐; stedelĳk
+   stads; stads‐; stedelijk
 
 _____
 
@@ -45143,7 +45151,7 @@
 urge
 urge [əːdʒ]
    aansporen; aanvuren; aanwakkeren; opwekken; zwepen
-   dringen; haasten; jachten; tot haast aanzetten; urgent zĳn
+   dringen; haasten; jachten; tot haast aanzetten; urgent zijn
 
 _____
 
@@ -45188,7 +45196,7 @@
 us
 us [juːs]
    ons; aan ons
-   ons; we; wĳ
+   ons; we; wij
    ons
 
 _____
@@ -45210,7 +45218,7 @@
 
 used to
 used to [juːzdtou]
-   gebruikelĳk; gewoon
+   gebruikelijk; gewoon
 
 _____
 
@@ -45223,7 +45231,7 @@
 
 useful
 useful [juːsfəl]
-   bevorderlĳk; dienstig; nuttig
+   bevorderlijk; dienstig; nuttig
 
 _____
 
@@ -45231,7 +45239,7 @@
 useless [juːsləs]
    nutteloos; onbruikbaar
    nutteloos; ondienstig; onnuttig; vergeefs; vruchteloos
-   ĳdel; nutteloos; vergeefs; vruchteloos
+   ijdel; nutteloos; vergeefs; vruchteloos
 
 _____
 
@@ -45243,7 +45251,7 @@
 
 use up
 use up [juːzʌp]
-   afdragen; opgebruiken; slĳten; verslĳten
+   afdragen; opgebruiken; slijten; verslijten
    opgebruiken; opmaken; opteren
    opgebruiken; opmaken; verbruiken
    consumeren; slopen; verbruiken; verorberen; verteren
@@ -45252,7 +45260,7 @@
 
 usual
 usual [juːʒeəl]
-   gebruikelĳk; gewoon
+   gebruikelijk; gewoon
    gewoon
    algemeen; generaal
 
@@ -45260,8 +45268,8 @@
 
 usually
 usually [juːʒəliː]
-   gewoonlĳk
-   doorgaans; gemeenlĳk; gewoonlĳk
+   gewoonlijk
+   doorgaans; gemeenlijk; gewoonlijk
 
 _____
 
@@ -45304,13 +45312,13 @@
 
 utter
 utter [ʌtər]
-   ontlokken; slaken; uitbrengen; uithalen; uitdrĳven; uiten
+   ontlokken; slaken; uitbrengen; uithalen; uitdrijven; uiten
 
 _____
 
 vacant
 vacant [veikənt]
-   leeg; onbezet; open; vrĳ
+   leeg; onbezet; open; vrij
    onbezet; opengevallen; vacant
 
 _____
@@ -45371,8 +45379,8 @@
 
 vain
 vain [vein]
-   ĳdel; nutteloos; vergeefs; vruchteloos
-   ĳdel; nietig; onbelangrĳk
+   ijdel; nutteloos; vergeefs; vruchteloos
+   ijdel; nietig; onbelangrijk
 
 _____
 
@@ -45415,7 +45423,7 @@
 valuable
 valuable [væljeəbl]
    kostbaar; waardevol
-   duur; prĳzig
+   duur; prijzig
    waard; waardevol
 
 _____
@@ -45467,7 +45475,7 @@
 
 vanity
 vanity [vænitiː]
-   ĳdelheid; nietigheid
+   ijdelheid; nietigheid
 
 _____
 
@@ -45498,7 +45506,7 @@
 
 variable
 variable [vɛəriəbl]
-   afwisselend; veranderlĳk; wisselend
+   afwisselend; veranderlijk; wisselend
 
 _____
 
@@ -45565,7 +45573,7 @@
 
 vast
 vast [vɑːst]
-   breedvoerig; groot; royaal; ruim; uitgebreid; uitgestrekt; wĳd
+   breedvoerig; groot; royaal; ruim; uitgebreid; uitgestrekt; wijd
 
 _____
 
@@ -45621,7 +45629,7 @@
 
 vehicle
 vehicle [viːikl]
-   rĳtuig; vehikel; voertuig; wagen
+   rijtuig; vehikel; voertuig; wagen
 
 _____
 
@@ -45634,7 +45642,7 @@
 
 veiled
 veiled [veild]
-   bedekt; heimelĳk; steels; verborgen; verholen; verstolen
+   bedekt; heimelijk; steels; verborgen; verholen; verstolen
 
 _____
 
@@ -45722,7 +45730,7 @@
 
 verbatim
 verbatim [vəːbeitim]
-   naar de letter; woordelĳk
+   naar de letter; woordelijk
 
 _____
 
@@ -45746,7 +45754,7 @@
 
 verify
 verify [verifai]
-   aflezen; checken; controleren; nakĳken; surveilleren; toezien
+   aflezen; checken; controleren; nakijken; surveilleren; toezien
 
 _____
 
@@ -45801,7 +45809,7 @@
 
 very
 very [veriː]
-   bĳster; bĳzonder; heel; erg; terdege; zeer
+   bijster; bijzonder; heel; erg; terdege; zeer
 
 _____
 
@@ -45819,7 +45827,7 @@
 
 very much
 very much [veriːmʌtʃ]
-   bĳster; bĳzonder; heel; erg; terdege; zeer
+   bijster; bijzonder; heel; erg; terdege; zeer
 
 _____
 
@@ -45930,14 +45938,14 @@
 
 vicinity
 vicinity [visinitiː]
-   nabĳheid
-   buurt; nabĳheid
+   nabijheid
+   buurt; nabijheid
 
 _____
 
 vicious
 vicious [viʃəs]
-   boosaardig; hatelĳk; kwaadaardig; snood; te kwader trouw; vals
+   boosaardig; hatelijk; kwaadaardig; snood; te kwader trouw; vals
    kwaadaardig; kwaadaardig (med.)
 
 _____
@@ -45986,11 +45994,11 @@
 
 view
 view [vjuː]
-   aanblik; aanzien; air; schĳn; uiterlĳk; verschĳning; voorkomen
+   aanblik; aanzien; air; schijn; uiterlijk; verschijning; voorkomen
    uitzicht
    beschouwen
    panorama; uitzicht; vergezicht
-   blikken; kĳken; bekĳken; kĳken naar; schouwen; toekĳken; toezien
+   blikken; kijken; bekijken; kijken naar; schouwen; toekijken; toezien
    gezicht; schouwspel
    zicht; gezicht; gezichtsvermogen
 
@@ -46004,7 +46012,7 @@
 
 vigour
 vigour [vigər]
-   activiteit; bedrĳvigheid; werkdadigheid
+   activiteit; bedrijvigheid; werkdadigheid
    kracht; macht; sterkte
 
 _____
@@ -46023,7 +46031,7 @@
 
 villa
 villa [viljə]
-   buiten; buitenverblĳf; landhuis; villa
+   buiten; buitenverblijf; landhuis; villa
 
 _____
 
@@ -46041,32 +46049,32 @@
 
 villain
 villain [vilən]
-   horige; lĳfeigene; onvrĳe
+   horige; lijfeigene; onvrije
 
 _____
 
 vinagerbottle
 vinager‐bottle
-   azĳnfles
+   azijnfles
 
 _____
 
 vine
 vine [vain]
-   wĳnberg; wĳngaard
-   wĳnstok; wingerd
+   wijnberg; wijngaard
+   wijnstok; wingerd
 
 _____
 
 vinegar
 vinegar [vinigər]
-   azĳn; edik
+   azijn; edik
 
 _____
 
 vineyard
 vineyard [vinjəd]
-   wĳngaard
+   wijngaard
 
 _____
 
@@ -46079,7 +46087,7 @@
 
 violate
 violate [vaiəleit]
-   aanranden; een aanslag plegen op; zich vergrĳpen aan
+   aanranden; een aanslag plegen op; zich vergrijpen aan
    forceren; geweld aandoen; verkrachten
 
 _____
@@ -46123,14 +46131,14 @@
 
 virgin
 virgin [vəːdʒin]
-   maagdelĳk; ongerept
+   maagdelijk; ongerept
    maagd
 
 _____
 
 virginal
 virginal [vəːdʒinl]
-   maagdelĳk; ongerept
+   maagdelijk; ongerept
 
 _____
 
@@ -46142,7 +46150,7 @@
 
 virility
 virility [virilitiː]
-   manmoedigheid; mannelĳkheid
+   manmoedigheid; mannelijkheid
 
 _____
 
@@ -46154,8 +46162,8 @@
 
 virtue
 virtue [vəːtʃuː]
-   degelĳkheid; deugdelĳkheid
-   degelĳkheid; deugdelĳkheid; soliditeit; stevigheid
+   degelijkheid; deugdelijkheid
+   degelijkheid; deugdelijkheid; soliditeit; stevigheid
 
 _____
 
@@ -46179,7 +46187,7 @@
 
 visible
 visible [vizəbl]
-   zichtbaar; zienlĳk
+   zichtbaar; zienlijk
 
 _____
 
@@ -46271,14 +46279,14 @@
 
 vixen
 vixen [viksn]
-   feeks; furie; haaibaai; helleveeg; megera; tang; wĳf; xantippe
-   moervos; wĳfjesvos
+   feeks; furie; haaibaai; helleveeg; megera; tang; wijf; xantippe
+   moervos; wijfjesvos
 
 _____
 
 viz
 viz. [viz]
-   in naam; namelĳk; te weten
+   in naam; namelijk; te weten
 
 _____
 
@@ -46335,27 +46343,27 @@
 
 voluntarily
 voluntarily [vɔləntəriliː]
-   uit vrĳe wil; vrĳwillig
-   uit eigen wil; uit vrĳe wil; vrĳwillig
+   uit vrije wil; vrijwillig
+   uit eigen wil; uit vrije wil; vrijwillig
 
 _____
 
 voluntary
 voluntary [vɔləntriː]
-   vrĳwillig
-   gewillig; vrĳwillig
+   vrijwillig
+   gewillig; vrijwillig
 
 _____
 
 volunteer
 volunteer [vɔləntiər]
-   volontair; vrĳwilliger
+   volontair; vrijwilliger
 
 _____
 
 voluptuous
 voluptuous [vəlʌptʃeəs]
-   geil; wellustig; wulps; zinnelĳk
+   geil; wellustig; wulps; zinnelijk
 
 _____
 
@@ -46367,7 +46375,7 @@
 
 vote
 vote [vout]
-   stemmen; zĳn stem uitbrengen
+   stemmen; zijn stem uitbrengen
    stem
 
 _____
@@ -46456,7 +46464,7 @@
 
 wage war
 wage war [weidʒər]
-   oorlogvoeren; strĳden
+   oorlogvoeren; strijden
 
 _____
 
@@ -46586,7 +46594,7 @@
    lopen; marcheren; tippelen
    mars
    tippel; wandelen; wandeling
-   begaan; bestĳgen; opgaan
+   begaan; bestijgen; opgaan
 
 _____
 
@@ -46604,7 +46612,7 @@
 
 walk upon
 walk upon [wɔːkəpɔn]
-   begaan; bestĳgen; opgaan
+   begaan; bestijgen; opgaan
 
 _____
 
@@ -46648,7 +46656,7 @@
 
 wall covering
 wall covering [wɔːlkʌvəriŋ]
-   behang; wandtapĳt
+   behang; wandtapijt
 
 _____
 
@@ -46678,7 +46686,7 @@
 
 wander
 wander [wɔndər]
-   afwĳken
+   afwijken
    rondreizen; trekken; rondtrekken; zwerven
    dolen; dwalen; ronddolen; ronddwalen; waren; zwerven
 
@@ -46744,7 +46752,7 @@
 
 want to know
 want to know [wɔnttounou]
-   nieuwsgierig zĳn
+   nieuwsgierig zijn
 
 _____
 
@@ -46756,7 +46764,7 @@
 
 war
 war [ər]
-   krĳg; oorlog
+   krijg; oorlog
 
 _____
 
@@ -46775,7 +46783,7 @@
 
 warehouse
 warehouse [wɛəhaus]
-   magazĳn; pakhuis
+   magazijn; pakhuis
    pakhuis
 
 _____
@@ -46790,7 +46798,7 @@
 
 warlike
 warlike [wɔːlaik]
-   krĳgshaftig; oorlogszuchtig
+   krijgshaftig; oorlogszuchtig
 
 _____
 
@@ -46802,9 +46810,9 @@
 
 warm
 warm [wɔːm]
-   hartelĳk
-   hartelĳk; innig
-   hartelĳk
+   hartelijk
+   hartelijk; innig
+   hartelijk
    warm
 
 _____
@@ -46838,13 +46846,13 @@
 warrant [wɔrənt]
    borg staan voor; garanderen; sponsoren; waarborgen
    garantie; waarborg; waarborging
-   aanschrĳving; schriftelĳk bevel
+   aanschrijving; schriftelijk bevel
 
 _____
 
 warrior
 warrior [wɔriər]
-   krĳger; krĳgsman; militair
+   krijger; krijgsman; militair
 
 _____
 
@@ -46944,7 +46952,7 @@
 
 waste product
 waste product [weistprɔdʌkt]
-   afvalprodukt; bĳprodukt
+   afvalprodukt; bijprodukt
 
 _____
 
@@ -46953,8 +46961,8 @@
    horloge; polshorloge
    horloge
    klok; uurwerk
-   blikken; kĳken; bekĳken; kĳken naar; schouwen; toekĳken; toezien
-   toeschouwen; toeschouwer zĳn
+   blikken; kijken; bekijken; kijken naar; schouwen; toekijken; toezien
+   toeschouwen; toeschouwer zijn
 
 _____
 
@@ -46972,7 +46980,7 @@
 
 watchword
 watchword [wɔtʃwəːd]
-   devies; leus; leuze; lĳfspreuk; wapenspreuk; zinspreuk
+   devies; leus; leuze; lijfspreuk; wapenspreuk; zinspreuk
 
 _____
 
@@ -47009,7 +47017,7 @@
 
 watercolour
 water‐colour
-   aquarel; waterverfschilderĳ; waterverftekening
+   aquarel; waterverfschilderij; waterverftekening
 
 _____
 
@@ -47131,7 +47139,7 @@
 way [wei]
    baan
    gebruik; gewoonte; usance
-   manier; trant; wĳze
+   manier; trant; wijze
    baan; route; weg
 
 _____
@@ -47144,7 +47152,7 @@
 
 we
 we
-   ons; we; wĳ
+   ons; we; wij
 
 _____
 
@@ -47170,13 +47178,13 @@
 
 wealth
 wealth [welθ]
-   rĳkdom
+   rijkdom
 
 _____
 
 wealthy
 wealthy [welθiː]
-   gefortuneerd; rĳk; vermogend
+   gefortuneerd; rijk; vermogend
 
 _____
 
@@ -47201,28 +47209,28 @@
 
 wear away
 wear away [wɛərɔːwei]
-   slĳten; afslĳten; doorslĳten; uitslĳten; verslĳten
+   slijten; afslijten; doorslijten; uitslijten; verslijten
 
 _____
 
 wear down
 wear down [wɛərdaun]
-   afslĳten; inrĳden
+   afslijten; inrijden
 
 _____
 
 wear off
 wear off [wɛərɔf]
-   slĳten; afslĳten; doorslĳten; uitslĳten; verslĳten
-   afslĳten; inrĳden
+   slijten; afslijten; doorslijten; uitslijten; verslijten
+   afslijten; inrijden
 
 _____
 
 wear out
 wear out [wɛəraut]
-   afdragen; opgebruiken; slĳten; verslĳten
-   slĳten; afslĳten; doorslĳten; uitslĳten; verslĳten
-   afslĳten; inrĳden
+   afdragen; opgebruiken; slijten; verslijten
+   slijten; afslijten; doorslijten; uitslijten; verslijten
+   afslijten; inrijden
 
 _____
 
@@ -47258,30 +47266,30 @@
 
 wed
 wed [wed]
-   in de echt verbinden; trouwen; uithuwelĳken
+   in de echt verbinden; trouwen; uithuwelijken
 
 _____
 
 weddingfeast
 wedding‐feast
-   huwelĳksfeest
+   huwelijksfeest
 
 _____
 
 weddingparty
 wedding‐party
    bruiloft; bruiloftsfeest
-   huwelĳksfeest
-   bruiloft; bruiloftsfeest; trouwpartĳ
+   huwelijksfeest
+   bruiloft; bruiloftsfeest; trouwpartij
 
 _____
 
 wedding
 wedding [wediŋ]
    bruiloft; bruiloftsfeest
-   huwelĳksfeest
+   huwelijksfeest
    bruiloftsplechtigheid
-   bruiloft; bruiloftsfeest; trouwpartĳ
+   bruiloft; bruiloftsfeest; trouwpartij
 
 _____
 
@@ -47318,14 +47326,14 @@
 
 weekly
 weekly [wiːkliː]
-   elke week; wekelĳks
+   elke week; wekelijks
 
 _____
 
 weep
 weep [wiːp]
    huilen; traanogen; tranen
-   huilen; krĳten; schreien; wenen
+   huilen; krijten; schreien; wenen
 
 _____
 
@@ -47338,7 +47346,7 @@
 weigh
 weigh [wei]
    het gewicht bepalen; wegen; afwegen
-   wegen; zwaar zĳn
+   wegen; zwaar zijn
 
 _____
 
@@ -47376,7 +47384,7 @@
 
 welcome
 welcome [welkəm]
-   feestelĳk inhalen
+   feestelijk inhalen
    begroeten; verwelkomen; welkom heten
    welkom
 
@@ -47390,8 +47398,8 @@
 
 wellbeing
 well‐being
-   gezondheid; goede gezondheid; wel; welstand; welvaren; welzĳn
-   welvaart; welzĳn
+   gezondheid; goede gezondheid; wel; welstand; welvaren; welzijn
+   welvaart; welzijn
 
 _____
 
@@ -47417,13 +47425,13 @@
 wellmannered
 well‐mannered
    beschaafd; welgemanierd; wellevend
-   beleefd; galant; heus; hoffelĳk; welgemanierd; wellevend
+   beleefd; galant; heus; hoffelijk; welgemanierd; wellevend
 
 _____
 
 welloff
 well‐off
-   gefortuneerd; rĳk; vermogend
+   gefortuneerd; rijk; vermogend
 
 _____
 
@@ -47484,7 +47492,7 @@
 
 western
 western [westən]
-   westelĳk; Westers; westers
+   westelijk; Westers; westers
 
 _____
 
@@ -47679,14 +47687,14 @@
 
 whereabouts
 whereabouts [wɛərəbauts]
-   verblĳfplaats
+   verblijfplaats
    waaromtrent
 
 _____
 
 whereas
 whereas [wɛəriːz]
-   gedurende; onder; staande; terwĳl; tĳdens; voor
+   gedurende; onder; staande; terwijl; tijdens; voor
 
 _____
 
@@ -47742,14 +47750,14 @@
 
 while
 while [wail]
-   gedurende; onder; staande; terwĳl; tĳdens; voor
-   poos; tĳd
+   gedurende; onder; staande; terwijl; tijdens; voor
+   poos; tijd
 
 _____
 
 whilst
 whilst [wilst]
-   gedurende; onder; staande; terwĳl; tĳdens; voor
+   gedurende; onder; staande; terwijl; tijdens; voor
 
 _____
 
@@ -47978,7 +47986,7 @@
 
 wide
 wide [waid]
-   breedvoerig; groot; royaal; ruim; uitgebreid; uitgestrekt; wĳd
+   breedvoerig; groot; royaal; ruim; uitgebreid; uitgestrekt; wijd
 
 _____
 
@@ -47991,7 +47999,7 @@
 widely
 widely [wideliː]
    ruim
-   wĳd; wĳd open
+   wijd; wijd open
 
 _____
 
@@ -48009,7 +48017,7 @@
 
 width
 width [witθ]
-   breedte; ruimheid; wĳdte
+   breedte; ruimheid; wijdte
    baan; breedte
 
 _____
@@ -48046,7 +48054,7 @@
 
 wild boar
 wild boar [waildbɔːr]
-   ever; everzwĳn; wild zwĳn
+   ever; everzwijn; wild zwijn
 
 _____
 
@@ -48085,9 +48093,9 @@
 
 willing
 willing [wiliŋ]
-   gewillig; vrĳwillig
+   gewillig; vrijwillig
    bereidvaardig; dienstwillig
-   gewillig; vrĳwillig
+   gewillig; vrijwillig
 
 _____
 
@@ -48162,7 +48170,7 @@
 
 windowframe
 window‐frame
-   kozĳn; raamkozĳn; vensterkozĳn; vensterraam
+   kozijn; raamkozijn; vensterkozijn; vensterraam
 
 _____
 
@@ -48181,7 +48189,7 @@
 
 windpipe
 windpipe [windpaip]
-   luchtpĳp
+   luchtpijp
 
 _____
 
@@ -48206,7 +48214,7 @@
 wind up
 wind up [waindʌp]
    opwinden
-   hĳsen; ophĳsen
+   hijsen; ophijsen
    nauwer aanhalen; opwinden; spannen; strekken; uitrekken
    oprollen; strengelen; wikkelen; winden
 
@@ -48214,7 +48222,7 @@
 
 wine
 wine [wain]
-   wĳn
+   wijn
 
 _____
 
@@ -48289,7 +48297,7 @@
 wire
 wire [waiər]
    draad; metaaldraad
-   ĳzerdraad
+   ijzerdraad
    bedraden
 
 _____
@@ -48314,19 +48322,19 @@
 
 wisdom
 wisdom [wizdəm]
-   wĳsheid
+   wijsheid
 
 _____
 
 wise
 wise [waiz]
-   verstandig; vroed; wĳs
+   verstandig; vroed; wijs
 
 _____
 
 wisely
 wisely [waizəliː]
-   wĳselĳk
+   wijselijk
 
 _____
 
@@ -48359,7 +48367,7 @@
 
 witchcraft
 witchcraft [witʃkrɑːft]
-   toverĳ
+   toverij
 
 _____
 
@@ -48367,7 +48375,7 @@
 with [wið]
    met; samen met
    aan; door; met; per
-   aan; bĳ; ten huize van
+   aan; bij; ten huize van
 
 _____
 
@@ -48392,7 +48400,7 @@
 
 wither
 wither [wiðər]
-   kwĳnen; verdorren; verflensen; verleppen; verwelken
+   kwijnen; verdorren; verflensen; verleppen; verwelken
 
 _____
 
@@ -48423,7 +48431,7 @@
 
 without delay
 without delay [wiθɔːtdiːlei]
-   dadelĳk; onmiddellĳk; op stel en sprong; terstond; zonder verwĳl
+   dadelijk; onmiddellijk; op stel en sprong; terstond; zonder verwijl
 
 _____
 
@@ -48449,13 +48457,13 @@
 
 with difficulty
 with difficulty [wiðdifikəltiː]
-   lastig; moeilĳk; zwaar
+   lastig; moeilijk; zwaar
 
 _____
 
 with effort
 with effort [wiðefət]
-   met moeite; moeilĳk; moeizaam
+   met moeite; moeilijk; moeizaam
 
 _____
 
@@ -48480,7 +48488,7 @@
 
 with wisdom
 with wisdom [wiðwizdəm]
-   wĳselĳk
+   wijselijk
 
 _____
 
@@ -48493,7 +48501,7 @@
 witness
 witness [witnəs]
    getuige
-   aanwezig zĳn; aanwezig zĳn bĳ; bĳwonen
+   aanwezig zijn; aanwezig zijn bij; bijwonen
 
 _____
 
@@ -48517,7 +48525,7 @@
 
 wizardry
 wizardry [wizədriː]
-   toverĳ
+   toverij
 
 _____
 
@@ -48553,7 +48561,7 @@
 
 woman writer
 woman writer [wumənraitər]
-   auteur; schrĳfster
+   auteur; schrijfster
 
 _____
 
@@ -48568,25 +48576,25 @@
    zich afvragen
    zich verbazen; zich verwonderen
    bevreemding; verbaasdheid; verwondering
-   nieuwsgierig zĳn
+   nieuwsgierig zijn
 
 _____
 
 wonderful
 wonderful [wʌndəfəl]
-   verwonderend; wonderbaar; wonderbaarlĳk; wonderlĳk
+   verwonderend; wonderbaar; wonderbaarlijk; wonderlijk
 
 _____
 
 wonted
 wonted [wountid]
-   gebruikelĳk; gewoon
+   gebruikelijk; gewoon
 
 _____
 
 woo
 woo [wuː]
-   het hof maken; scharrelen; vrĳen
+   het hof maken; scharrelen; vrijen
 
 _____
 
@@ -48628,7 +48636,7 @@
 
 woodpile
 woodpile [wudpail]
-   brandstapel; mĳt; houtmĳt
+   brandstapel; mijt; houtmijt
 
 _____
 
@@ -48647,7 +48655,7 @@
 
 wordforword
 word‐for‐word
-   naar de letter; woordelĳk
+   naar de letter; woordelijk
 
 _____
 
@@ -48671,7 +48679,7 @@
 
 work
 work [wəːk]
-   functioneren; het doen; in zĳn werk gaan; werken
+   functioneren; het doen; in zijn werk gaan; werken
    bedienen
    arbeiden; werken
    arbeid; emplooi; karwei; werk
@@ -48708,7 +48716,7 @@
 
 working capital
 working capital [wəːkiŋkæpitəl]
-   bedrĳfskapitaal; werkkapitaal
+   bedrijfskapitaal; werkkapitaal
 
 _____
 
@@ -48783,7 +48791,7 @@
 
 world
 world [wəːld]
-   aardrĳk; wereld
+   aardrijk; wereld
 
 _____
 
@@ -48801,7 +48809,7 @@
 
 worldwide
 worldwide [wəːldwaid]
-   wereldwĳd
+   wereldwijd
    algemeen; universeel
 
 _____
@@ -48846,7 +48854,7 @@
 
 worry
 worry [wʌriː]
-   bezorgd zĳn; zich bekommeren; zorg dragen; zorgen
+   bezorgd zijn; zich bekommeren; zorg dragen; zorgen
    bedroeven; ergeren; grieven; verdriet doen; verdrieten
 
 _____
@@ -48867,7 +48875,7 @@
 worship [wəːʃip]
    aanbidding; adoratie
    aanbidden; adoreren; verafgoden; vereren
-   aanbidden; vereren; verheerlĳken
+   aanbidden; vereren; verheerlijken
 
 _____
 
@@ -48952,7 +48960,7 @@
 wrangle
 wrangle [ræŋgl]
    bekvechten
-   kiften; kĳven; krakelen; ruzie maken; ruziën
+   kiften; kijven; krakelen; ruzie maken; ruziën
 
 _____
 
@@ -48989,7 +48997,7 @@
 
 wreck
 wreck [rek]
-   afwĳzen; verĳdelen
+   afwijzen; verijdelen
 
 _____
 
@@ -49051,34 +49059,34 @@
 
 writ
 writ [rit]
-   aanschrĳving; schriftelĳk bevel
+   aanschrijving; schriftelijk bevel
 
 _____
 
 write
 write [rait]
-   schrĳven; neerschrĳven; uitschrĳven
-   componeren; maken; scheppen; schrĳven
+   schrijven; neerschrijven; uitschrijven
+   componeren; maken; scheppen; schrijven
 
 _____
 
 writer
 writer [raitər]
-   auteur; schrĳfster
-   auteur; schrĳver; stilist
+   auteur; schrijfster
+   auteur; schrijver; stilist
 
 _____
 
 write down
 write down [raitdaun]
    afbreken; afgeven op; afkammen
-   aantekenen; noteren; opschrĳven; teboekstellen
+   aantekenen; noteren; opschrijven; teboekstellen
 
 _____
 
 write off
 write off [raitɔf]
-   afschrĳven
+   afschrijven
 
 _____
 
@@ -49090,7 +49098,7 @@
 
 write upon
 write upon [raitəpɔn]
-   beschrĳven; schrĳven op
+   beschrijven; schrijven op
 
 _____
 
@@ -49102,13 +49110,13 @@
 
 writingdesk
 writing‐desk
-   bureau; schrĳfbureau; schrĳftafel
+   bureau; schrijfbureau; schrijftafel
 
 _____
 
 writingpaper
 writing‐paper
-   briefpapier; postpapier; schrĳfpapier
+   briefpapier; postpapier; schrijfpapier
 
 _____
 
@@ -49122,20 +49130,20 @@
 
 writing desk
 writing desk [raitiŋdesk]
-   bureau; schrĳfbureau; schrĳftafel
+   bureau; schrijfbureau; schrijftafel
 
 _____
 
 written
 written [ritn]
-   schriftelĳk
+   schriftelijk
 
 _____
 
 wrong
 wrong [rɔŋ]
    fout; foutief; onjuist; verkeerd
-   ongegrond; ongelĳk hebbend
+   ongegrond; ongelijk hebbend
    fout; mis; onjuist; verkeerd
 
 _____
@@ -49207,7 +49215,7 @@
 
 yawn
 yawn [jɔːn]
-   gapen; wĳd openstaan
+   gapen; wijd openstaan
    gapen; geeuwen
    gaap; geeuw
 
@@ -49215,8 +49223,8 @@
 
 ye
 ye [iː]
-   ge; gĳ; je; jullie
-   ge; gĳ; u
+   ge; gij; je; jullie
+   ge; gij; u
 
 _____
 
@@ -49234,8 +49242,8 @@
 
 yearly
 yearly [jəːliː]
-   jaarlĳks
-   ieder jaar; jaarlĳks
+   jaarlijks
+   ieder jaar; jaarlijks
 
 _____
 
@@ -49300,13 +49308,13 @@
 
 yewtree
 yew‐tree
-   ĳf; taxus
+   ijf; taxus
 
 _____
 
 yield
 yield [jiːld]
-   afstaan; het veld ruimen; toegeven; wĳken; zwichten
+   afstaan; het veld ruimen; toegeven; wijken; zwichten
 
 _____
 
@@ -49362,10 +49370,10 @@
    aan u; u; naar u
    je; jou
    men
-   je; jĳ; ge; gĳ
-   ge; gĳ; u
-   ge; gĳ; je; jullie
-   10.ge; gĳ; u
+   je; jij; ge; gij
+   ge; gij; u
+   ge; gij; je; jullie
+   10.ge; gij; u
 
 _____
 
@@ -49405,7 +49413,7 @@
 
 young of a wild boar
 young of a wild boar [jʌŋɔfəwaildbɔːr]
-   big; big van een everzwĳn
+   big; big van een everzwijn
 
 _____
 
@@ -49431,7 +49439,7 @@
 
 yourself
 yourself [jɔːself]
-   jĳzelf; uzelf
+   jijzelf; uzelf
 
 _____
 
@@ -49476,13 +49484,13 @@
 
 zeal
 zeal [ziːl]
-   ambitie; ĳver; vuur
+   ambitie; ijver; vuur
 
 _____
 
 zealous
 zealous [zeləs]
-   ambitieus; ĳverig; noest; volĳverig; vurig
+   ambitieus; ijverig; noest; volijverig; vurig
 
 _____
 
@@ -49519,7 +49527,7 @@
 
 zest
 zest [zest]
-   animo; bedrĳvigheid; drukte; opgewektheid; tierigheid; vertier
+   animo; bedrijvigheid; drukte; opgewektheid; tierigheid; vertier
 
 _____
 
@@ -49532,7 +49540,7 @@
 zigzag
 zigzag [zigzæg]
    zaagvormig
-   zigzaggen; zigzag gaan; zigzagsgewĳs lopen
+   zigzaggen; zigzag gaan; zigzagsgewijs lopen
 
 _____
 
@@ -49611,13 +49619,13 @@
 
 auxiliary verb for passive voice
 auxiliary verb for passive voice
-   helpwerkw. voor lĳdende vorm
+   helpwerkw. voor lijdende vorm
 
 _____
 
 auxiliary verb for past tense
 auxiliary verb for past tense
-   hulpwerkw. voor verleden tĳd
+   hulpwerkw. voor verleden tijd
 
 _____
 
@@ -49648,5 +49656,5 @@
 
 question particle
 question particle
-   vraagpartikel; h
+   vraagpartikel
 
